Oekraïense leger krijgt weer slagkracht

3

Het Oekraïense leger stelde nauwelijks wat voor. Tot de oorlog in het oosten van het land uitbrak. „We dachten dat we geen leger nodig hadden.”

De deur van de groene Ford Scorpio van kapelaan Vasil Gasinets is doorzeefd met kogelgaten. De voorruit is volledig ingeslagen en de auto zelf ziet eruit als een ingedeukt blikje frisdank. Officier Andrej Kizila van het Oekraïense leger reed erin rond aan het oorlogsfront in het oosten van het land, tot hij daar twee jaar geleden de dood vond. Gasinets had de auto geschonken aan het leger.

De Ford Scorpio staat inmiddels als museumstuk in het nationale Tweede Wereldoorlogmuseum in de hoofdstad Kiev. Hij maakt deel uit van een tentoonstelling over de oorlog tussen het Oekraïense leger en pro-Russische separatisten in het oosten, die in 2014 uitbrak. De groene wagen weet zich omringd door andere gewone auto’s die werden gebruikt tijdens de oorlog en ook door Oekraïense burgers aan het leger werden geschonken.

Wankelend

In de beginmaanden en -jaren van de oorlog kon het Oekraïense leger namelijk alle hulp van de bevolking gebruiken. De soldaten stonden tegenover pro-Russische separatisten die konden rekenen op financiële en militaire steun van Rusland. De Oekraïners stuurden slaapzakken, appels, wc-papier, sigaretten, schoenen, nachtkijkers, kogelwerende vesten, theezakjes, gedroogd voedsel, camouflagekleding. Burgervrijwilligers brachten de spullen naar het leger. Vrijwilligersbataljons vormden zich en trokken naar het front om te vechten. „In de lente en zomer van 2014 hebben de vrijwilligers de Oekraïense onafhankelijkheid gered”, sprak parlementsvoorzitter Andrej Paroeby twee jaar geleden.

Het Oekraïense leger stond immers eigenlijk op omvallen toen Rusland in maart 2014 het schiereiland de Krim annexeerde en de oorlog begon. Wankelend als een aangeslagen bokser. Na de val van de Sovjet-Unie in 1991 telde Oekraïne een leger van 1,2 miljoen mensen, in een tijd dat de economie stilstond. Dus volgden er bezuinigingen, tot er in 2014 250.000 man van het leger over waren, onder wie 205.000 actieve soldaten, rekent Oleksandr Polisjtsjoek (55) voor.

Polisjtsjoek heeft een lange staat van dienst in de militaire top: hij was majoor-generaal buiten dienst en militair diplomaat en zat van 2014 tot 2017 bij de nationale veiligheids- en defensieraad van Oekraïne als hoofd van de militaire veiligheidsdienst. Tegenwoordig is hij aangesloten bij de denktank Majdan van Buitenlandse Zaken in Kiev. Hij bezocht het front en zag de neergang van het Oekraïense leger van dichtbij.

Ruïne

Bezuinigingen en verkeerde keuzes hadden als gevolg dat het leger niet gevechtsklaar stond. „Van de achttien gevechtsvliegtuigen konden we er vier tot zes inzetten”, herinnert Polisjtsjoek zich van de eerste oorlogsmaanden. „Tachtig procent van de begroting ging op aan salarissen, de rest naar andere zaken. Als je je leger wilt moderniseren, moet dat meer in balans zijn.” In Oost-Oekraïne kwam hij gevechtsvoertuigen en wapens tegen van meer dan dertig jaar oud, geproduceerd tijdens de Sovjet-Unie.

„Het leger was letterlijk een ruïne”, zei de chef van de Oekraïense generale staf Viktor Moezjenko in 2017 tegenover de Oekraïense internetkrant De Dag. Hij sprak over een gedemoraliseerde troepenmacht. Het ontbrak volgens Moezjenko aan coördinatie en professionaliteit.

Deze situatie gaf de separatisten de kans een deel van Oost-Oekraïne in te nemen en de door hen uitgeroepen Volksrepubliek Donetsk en Loegansk te stichten. Het Oekraïense leger was niet bij machte om in de lente en zomer van 2014 steden als Donetsk, Horlivka en Loehansk te heroveren op de rebellen. De Oekraïense troepen verloren beslissende slagen om de plaatsen Ilovajsk, in augustus 2014, en Debaltseve, in de winter van 2015.

Kleding

Cruciaal was de strijd om de strategische haven- en industriestad Marioepol in het zuidoosten. Eind augustus 2014 rukten de rebellen, met behulp van Rusland, op richting de stad, waar vrijwilligers voedsel, kleding en apparatuur inzamelden voor het Oekraïense leger en de vechtende vrijwilligers.

De pro-Russische rebellen dreigden de stad in te nemen. Alleen met behulp van het ultranationalistische Azov-bataljon, bestaande uit vrijwilligers, werd Marioepol behouden. Was de stad gevallen, dan had voor de rebellen de weg richting Odessa en de Krim opengelegen en was het voortbestaan van de Oekraïense staat onzeker geworden.

Maar Oekraïne bleef overeind, met dank aan de vrijwilligers. Momenteel bevindt de oorlog, die het zesde jaar is ingegaan, zich in een bevroren toestand: het front verplaatst zich niet, al wordt er nog wel geschoten. De oorlog heeft volgens de Verenigde Naties aan 13.000 mensen het leven gekost.

In de afgelopen oorlogsjaren heeft het Oekraïense leger geleerd op eigen benen te staan en heeft het zich gemoderniseerd. Vrijwilligers hebben hun gewone leven weer opgepakt en bezoeken tegenwoordig niet meer het front met een auto vol wc-papier, slaapzakken en schoenen. Het leger kan zonder hun hulp.

Hogere salarissen

De regering stelde meer geld beschikbaar. Volgens het Oekraïense ministerie van Defensie gingen de defensie-uitgaven omhoog van 1,78 procent in 2014 naar 2,6 procent voor dit jaar (gerelateerd aan het bruto binnenlands product, bbp). Ter vergelijking: in Nederland gaat het om 1,3 procent van het bbp; de NAVO-norm is 2 procent. Oekraïne is geen lid van dit militaire bondgenootschap.

De Oekraïense soldaten hebben hun salarissen zien stijgen. De troepen beschikken over modernere wapens. Er kwam structuur in het leger, dat de vrijwilligersbataljons, waarvan sommige zich schuldig hebben gemaakt aan mensenrechtenschendingen, grotendeels opnam. De soldaten doen gevechtservaring op. Britten en Canadezen trainen het Oekraïense leger. De Verenigde Staten stuurden antitankraketten. In juni kondigde het Amerikaanse ministerie van Defensie aan dat het 220 miljoen euro zal investeren in het Oekraïense leger. Voor training, advies en uitrusting. Daarmee komt het totaalbedrag aan Amerikaanse militaire hulp voor Oekraïne sinds 2014 op 1,3 miljard euro.

Zodoende houdt het Oekraïense leger stand tegenover de rebellen. De in mei afgetreden president en oligarch Petro Porosjenko ziet dit als zijn verdienste. Ook Jevgen Magda (43), directeur van het Instituut voor Wereldbeleid, beschouwt Porosjenko als de grote aanjager van de modernisering van het Oekraïense leger, zegt hij in café Paul in het centrum van Kiev. „Hij heeft uit zijn eigen portemonnee miljoenen aan het leger geschonken.”

Broederland

Polisjtsjoek dankt de Russische president Vladimir Poetin, die de Krim annexeerde en pro-Russische separatisten in het oosten steunt. „Door hem beseffen we dat Oekraïne een leger nodig heeft om zich te beschermen. We beschouwden Rusland als een broederland. Daar verwacht je geen oorlog mee te hebben.”

„Het probleem was dat de Oekraïense regering nooit dacht aan onafhankelijkheid”, legt Magda uit. „Dat zat niet in het hoofd. We waren altijd onderdeel van Rusland. Dan denk je niet aan het oprichten van een eigen leger. Dus was er geen geld en was er geen wetgeving.”

Magda verwacht dat dit voorgoed gaat veranderen. Hij voorspelt de komst van oud-militairen in het parlement, zoals in Israël. Het leger raakt daardoor verankerd in de politiek. Porosjenko heeft zijn opvolger, Volodimir Zelenski, opgeroepen te blijven investeren in het leger: „Maak niet de fout van mijn voorgangers”, waarschuwde hij.

Is het Oekraïense leger sterk genoeg om het Russische leger het hoofd te bieden? „We zijn geen partij voor de Russen”, antwoordt Polisjtsjoek kordaat. „Maar Poetin bedenkt zich wel twee keer voordat hij Oekraïne binnenvalt. Hem wacht dan een partizanenoorlog.”

Het geld dat in de afgelopen jaren naar het leger ging, voldeed om het leger gevechtsklaar te maken en een stevige opknapbeurt te geven, merkt Magda op. Maar het is volgens hem niet voldoende voor een volledige modernisering. Daarvoor is acht keer zoveel geld nodig, meent hij.

Klauteren

In de schaduw van het immense standbeeld Moederland, dat torent op een heuvel boven het Kievse oorlogsmuseum, klauteren kinderen op drie tanks. Een ervan is geschilderd in het blauw-geel van de Oekraïense vlag. De tanks zijn buitgemaakt op het Russische leger, valt op een begeleidend bordje te lezen. Om er te komen, hebben de kinderen met hun ouders een wandeling gemaakt langs tentoongestelde tanks, militaire voertuigen en artillerie uit het verdere verleden. Het leger leeft hier.

Jevgeni Prisjena (39) kijkt toe hoe zijn dochter een tank beklimt. „Wat is een onafhankelijk land zonder leger?” zegt hij, terwijl zijn ogen zijn dochter volgen. „Als we in 2014 een sterk leger hadden gehad, was er geen oorlog uitgebroken en had Rusland de Krim niet ingelijfd. Dan hadden we ons eigen land kunnen verdedigen. Maar we dachten dat we geen leger nodig hadden. Nu hebben we een modern leger, dat ons beschermt, en kunnen we denken aan de toekomst van Oekraïne.”