Nog steeds geen vredesverdrag, 25 jaar na Osloakkoorden

V.l.n.r. premier Rabin, minister Peres en PLO-voorzitter Arafat in Parijs, juli 1994. beeld GPO.
2

Ik herinner me de sfeer in Israël nog goed, 25 jaar geleden. Het was een tijd van groot optimisme: Palestijnen en Israëliërs waren elkaar dichter genaderd dan ooit. De grote doorbraak bleef echter uit.

Op 1 september 1993 schreef ik in mijn notities: „Israël en de PLO hebben een overeenkomst bereikt en staan op het punt om elkaar te erkennen. De Palestijnen krijgen autonomie in de Gazastrook en Jericho als eerste gebieden.”

Op 13 september ondertekenden de Israëlische minister van Buitenlandse Zaken Shimon Peres en PLO-functionaris Mahmud Abbas in Washington een beginselverklaring over tijdelijk zelfbestuur voor de Palestijnen, beter bekend als het eerste Osloakkoord. Israël en de PLO erkenden elkaar voor het eerst officieel.

Dat gebeurde nadat eerdere kansen waren gemist. Onmiddellijk na de Zesdaagse Oorlog van 1967 lieten Mossadfunctionarissen de Israëlische premier Levi Eshkol weten dat Palestijnse leiders op de Westoever bereid waren om een permanente vredesovereenkomst te sluiten op basis van een gedemilitariseerd „onafhankelijk bestaan voor Palestina.” Hun advies werkte niets uit, schrijven Idith Zertal en Akiva Eldar in ”Lords of the Land”.

In 1991 kwam er echter onder Amerikaanse druk beweging in de zaak. In het najaar hielden Israël en andere landen in Madrid een internationale vredesconferentie. Maar de bilaterale besprekingen tussen de Israëlische delegatie en de Jordaans-Palestijnse delegatie liepen vast.

Nadat in 1992 Yitzhak Rabin premier werd, begonnen Israëlische en Palestijnse afgezanten geheime besprekingen in Noorwegen. Dat leidde tot het eerste Osloakkoord. Palestijnen zouden autonomie krijgen voor een periode van vijf jaar; beide partijen beloofden te gaan onderhandelen over een definitief vredesakkoord. In latere akkoorden van 1994 en 1995 werkten de partijen de details verder uit.

Een aantal ontwikkelingen maakten het Osloakkoord mogelijk. Rabin besefte dat hij met de Palestijnen geen overeenkomst kon bereiken als hij de PLO er niet bij betrok. Hij begreep ook dat er kans bestond op een machtsovername van de fundamentalistisch-islamitische Hamas, waarmee geen akkoord meer mogelijk zou zijn.

De PLO zelf bevond zich intussen in grote financiële problemen nadat de Golfstaten hun steun hadden teruggetrokken. Dat was een gevolg van de keuze van Arafat in 1990 voor de Iraakse president Saddam Hussein.

Nu, 25 jaar later, is echter nog steeds geen vredesakkoord bereikt. De belangrijkste oorzaak is dat beide partijen het vertrouwen bij de ander ondermijnden.

Yasser Arafat deed niet zijn best om terreur te bestrijden. Na ‘Oslo’ ging Israël gebukt onder een golf van barbaarse aanslagen op bussen, restaurants, winkelcentra en andere plaatsen waar veel burgers bijeen zijn. Israël ging door met de bouw van de nederzettingen, ondanks de bepaling in het tweede Osloakkoord dat geen partij stappen zou ondernemen om de status op de Westoever te veranderen.

Toch geldt een aantal bepalingen van de akkoorden nog steeds. Palestijnen hebben bijvoorbeeld nog steeds zelfbestuur. Beide partijen werken nog steeds samen op veiligheidsgebied. De economische regelingen zijn nog van kracht. Wat tijdelijk was bedoeld, is permanent geworden.

2018-09-15-ACC_-bij-gaza15-3-FC-V_webAnalyse: Wat er terecht kwam van Osloakkoorden