Met een Trabantje naar Hongarije, en foetsie

Val van de muur
De Hongaarse minister Gyula Horn (r.) en zijn Oostenrijkse collega Alois Mock (l.) deden op 27 juni 1989 iets vreemds: demonstratief knipten ze het prikkeldraad van het IJzeren Gordijn tussen beide landen door.  beeld EPA, Karoly Matusz
3

Jehovah’s Getuigen hadden het dubbel moeilijk in de DDR. Steffen Zuber nam in de zomer van 1989 met zijn gezin de benen. Via de grens tussen Hongarije en Oostenrijk. Na de val van de Muur durfde hij maandenlang niet meer terug.

Als 17-jarige had Steffen Zuber (1963) al eens geprobeerd naar Tsjechoslowakije te zwemmen. Aan de overkant stond echter zoveel prikkeldraad, dat hij onverrichter zake weer terugzwom. Toch bleef in zijn achterhoofd hangen: als ik kan, ga ik hier weg.

Oost-Duitsland was een land waar je je nooit vrij voelde, vertelt Zuber na ruim dertig jaar. „Docenten verhoorden me en later de baas. Toen heb ik eens zoiets gezegd als: Wij leven in een dictatuur. Ik werd opgepakt en door vier of vijf man verhoord.” Zuber lacht nog als hij het vertelt. „Ik zei toen: Dit is toch een dictatuur van het proletariaat? Dat had ik letterlijk gelezen bij Lenin en Marx. Daar hadden ze niet van terug. Dat me dat op dat moment is ingevallen, dat snap ik nog niet.”

Zuber woont vandaag in Hof, een stad in het noordoosten van Beieren, dicht bij de Tsjechische grens en destijds vlakbij de grens met de DDR.

Als Jehovah’s Getuige stond je altijd „met één been in de gevangenis”, zegt hij. „Dat begon al met de dienstweigering. Bij de keuring vertelde ik direct dat ik niet in militaire dienst wilde. Als christen mag ik niet doden. Veel christenen deden een vervangende dienstplicht als bouwsoldaat. Maar dan moest je een brug bouwen vanwaar anderen zouden gaan schieten. De artsen probeerden nog wel een kwaal te vinden om me af te keuren. Maar ik was te gezond. Zodoende hing altijd boven mijn hoofd dat ik zou worden opgeroepen.”

Evangeliseren

Zuber kwam wekelijks samen met geloofsgenoten. „Een bijeenkomst van twaalf mensen was het wettelijk maximum. Natuurlijk werden we bespioneerd. Van elkaar wisten we dat we het wisten.”

Er waren ruim 70.000 Jehovah’s Getuigen in de DDR. Ze probeerden niet op te vallen. Toch gingen ze ook daar langs de huizen. „Om niet op te vallen sloegen we meestal een paar deuren over. Zag je een uniform, dan moest je een uitweg vinden. Ik ben wel gezocht zonder dat ik ben gevonden – heel mysterieus. Ook werd ik eens op de parkeerplaats door de politie opgewacht en het dorp uitgejaagd. Toch heb ik wel met agenten over geestelijke zaken gesproken.”

Ook met de DDR-medeburgers had hij goede gesprekken. „De mensen waren in het communisme opgevoed. Dat wil zeggen: alles komt door evolutie, zonder God. En toch wilden ze wel over God spreken.” Zuber ging altijd met een Lutherbijbel op pad. „Die was toegestaan. De Wachttoren was verboden.”

Hij verzamelt Duitse Bijbels. Hij toont losse bladzijden uit de dertiende eeuw. Ook heeft hij een kopie van een oude Gutenbergbijbel. Verder exemplaren uit de 18e en 19e eeuw. „De Bijbel was altijd een belangrijk leerboek. Jammer genoeg is dat na de Tweede Wereldoorlog verdwenen. Het is echter het enige boek waarvan de profetieën zijn vervuld. En dat heel radicaal is. Zelfs een verkeerde gedachte is overspel. Menselijk gezien zou zo’n verbod zinloos zijn. Dat móet wel van God zijn.”

Radio

Het echtpaar Zuber kreeg in de DDR twee kinderen. Vertrekken werd per dag moeilijker. „Totdat ik op de West-Duitse radio hoorde dat de grens tussen Hongarije en Oostenrijk open was.”

Hij vroeg een vakantievisum aan voor Hongarije, dat ook tot het communistische Oostblok hoorde. „Mijn broer werd dat geweigerd, maar wij kregen het. Ze dachten zeker: hij heeft pas zijn huis verbouwd, hij zal vast wel terugkeren.”

In augustus 1989 zette hij met vrouw, kinderen en bagage in de Trabant koers naar Hongarije. Vlak voor de Oostenrijkse grens was een opvang. Eerst zouden ze West-Duitse passen moeten aanvragen. „Toen ik nog zat te twijfelen of ik de tent zou opzetten, kwam het bericht dat iedereen mocht uitreizen.” Diezelfde avond passeerde Zuber rond 23 uur de grens met het Westen. Pas daar durfde hij zijn auto te parkeren. „We hebben toen met z’n allen in de Trabi geslapen.”

De volgende dag kreeg hij in Oostenrijk begroetingsgeld: een welkomstfooi voor mensen uit het Oostblok. „Daar konden we iets mee doen. Ik herinner me nog dat de kinderen niet wisten wat ze meemaakten toen bij een tankstation de deuren automatisch open gingen.”

Met de Trabant ging het door de Alpen naar het noorden. De stad Hof leek hem wel. „Ik zat dan dicht bij de Tsjechische grens. Met West-Duitse papieren zou ik daar naartoe kunnen, terwijl mijn Oost-Duitse familie daar ook vrij naartoe kon.” In Hof ging hij direct naar het arbeidsbureau. „Ik kon direct terecht bij een autospuiter. Toen drie maanden later de hele grens open ging, werkte ik al volop.”

Het duurde lang voordat hij weer een kijkje nam bij zijn oude huis in Lunzenau. „Eerst vertrouwde ik het niet erg. Ik wilde niet het risico lopen te worden vastgezet. Maar toen de DDR de West-Duitse mark invoerde, begreep ik dat de Wende definitief was. Ons huis was allang weer verhuurd.”

De eerste jaren werd hij in Hof als normale Duitser behandeld. Later werd dat stroever. „Toen begon het gedoe over Ossies en Wessies. In de DDR gingen veel bedrijven kapot, en in de grensstad Hof kwamen natuurlijk veel werkzoekenden.”

Uiteindelijk werd hij zelfstandig bouwvakker. In Hof kreeg het gezin nog twee kinderen. De foto’s hangen aan de wand. Ze zijn allemaal actief als Getuigen.

Hij is God dankbaar voor Zijn leiding. „De wereld kan ineens veranderen. Maar als je met God leeft, is Hij er altijd bij. In West-Duitsland hebben we als christenen volledige vrijheid. Hier zijn ook meer mensen die met God leven dan in het oosten. Maar ook hier staat de democratie onder druk, gezien de opkomst van de populistische AfD. Bovendien blijven we als Jehovah’s Getuige overal een uitzondering.”

serie 30 jaar val van de Muur

Dit is het vierde deel in een serie over de val van de Muur.