Les van Christchurch: naar onszelf kijken, dan naar Midden-Oosten

De plaats van de aanslag in Christchurch. beeld AFP, David Moir

De aanslag op moskeeën in Christchurch bevestigt voor veel moslims wat ze allang wisten: als het over extremisme gaat, groeien er net zo goed giftige vruchten op westerse bodem.

Vandaag verschuift het thema van deze column van oriëntalisme naar occidentalisme. Het eerste, dat gaat over hoe we in het Westen naar het (Midden-)Oosten kijken. Het tweede gaat over het omgekeerde: hoe mensen in (bijvoorbeeld) het Midden-Oosten naar de westerse beschaving kijken.

Ik zal vast verklappen dat die blik niet rooskleurig is. Het algemene beeld is als volgt: het Westen omarmt islamofobie en bagatelliseert het terrorisme, dat uit naam van haar eigen zogenaamd verheven idealen voortkomt.

Bij die stelling geven Arabische media naar aanleiding van de schietpartij in Christchurch maar wat graag voorbeelden. Zo verwijzen ze naar de Engelse tabloid Daily Mirror. Die pakte zaterdag op de voorpagina groots uit met een jeugdfoto van de dader. In de kop werd hij omschreven als een „engelachtige jongen.” Dat valt niet goed bij veel moslims. Het is uitgesloten, zeggen zij, dat een krant zoiets zou doen in het omgekeerde geval: als een moslimterrorist vijftig christenen doodt in een kerk.

Een ander voorbeeld van bagatellisering is volgens Arabische media de onafhankelijke Australische senator Fraser Anning, die kort na de aanslag stelde dat „de ware reden voor het bloedvergieten in de Nieuw-Zeelandse straten” niet de extreemrechtse ideologie van de dader is, „maar het immigratieprogramma dat islamitische fanatici toestaat om naar Nieuw-Zeeland te emigreren.” Hij citeert er nog de tekst bij uit Mattheüs 26 waarin staat dat iedereen die het zwaard opneemt (lees: moslims), door het zwaard zal vergaan (lees: door een tegenaanslag).

Natuurlijk is het makkelijk deze voorbeelden af te serveren. De Daily Mirror is immers een laag-bij-de-grondse tabloid. En senator Anning wordt ook in eigen land niet gepruimd.

Dat is allemaal min of meer waar, maar het is ook net iets te makkelijk; zeker voor mensen die Mattheüs serieus nemen. De Bergrede, een aantal hoofdstukken eerder, spreekt nota bene zelfs over je vijanden liefhebben. Elke vorm van haat tegen mensen wordt hier de pas afgesneden – een leerstelling die in de islam nooit werkelijk begrepen is. In dat licht is het opvallend hoe makkelijk mensen in het Westen haatincidenten van eigen, westerse bodem soms onder het vloerkleed schuiven.

Dat constateert ook journaliste Nikki Sterkenburg, die jarenlang voor Elsevier schreef over de radicale islam en bepaald niet verdacht kan worden van linkse sympathieën. Ze doet promotieonderzoek naar extremisme in Nederland. In de Volkskrant verbaast ze zich erover dat er, bijvoorbeeld, vrijwel geen discussie was na een aanslag op een moskee in Enschede door een extreemrechtse actiegroep in 2016.

Haar conclusie: „Er is echt een discrepantie tussen de manier waarop we naar jihadisme en naar radicaal en extreemrechts kijken.” Eerlijk gezegd zie ik geen enkele reden waarom die conclusie ook maar een onsje minder zou gelden voor orthodox-christelijk Nederland.

En dus lijkt het me nu, zo kort na de aanslag, eerst tijd om ons te bezinnen op de vraag welke vormen van haat en onverdraagzaamheid op eigen bodem groeien. Jij-bakken en ja-maars richting het Midden-Oosten en moslims komen daarna wel weer.