In Palmyra zijn zelfs de ruïnes geruïneerd

Op dit plein werd ”Mr. Palmyra” door IS onthoofd.  beeld Jacob Hoekman
15

Palmyra was de sprookjesstad in de Syrische woestijn. Oeroude monumenten trokken hordes toeristen naar de oase. Tot 2015. De tempels en zuilen die het duizenden jaren hadden volgehouden, bleken niet opgewassen tegen het geweld van Islamitische Staat. De ruïnes die resten, vertellen een duister verhaal met ondanks alles een licht randje.

Stil en doods is het op straat. Het is midden op de dag en in Tadmur is geen beweging te bespeuren, behalve dan van de militairen die de opdracht hebben gekregen mij te begeleiden.

vidpalmyra

Het document kan niet getoond worden, omdat het mogelijk is dat het cookies plaatst die volgens uw cookie-instellingen niet toegestaan zijn.
Sta alle cookies toe om het document te tonen en ververs dan de pagina.

Tadmur, midden in de Syrische woestijn, is een schaduw van zichzelf geworden. Ik sta bij een ooit befaamd hotel annex restaurant. De gevel ligt eruit als gevolg van een grote explosie. Isolatiemateriaal hangt treurig naar beneden vanaf wat rest van de eerste verdieping. Verwrongen staal steekt tussen het puin omhoog.

De resten van een restaurant in Tadmur. De muurschilderingen van Palmyra zijn intact gebleven.  beeld Jacob Hoekman

Binnen, waar nog niet zo lang geleden de toeristen aten, zijn alleen de muurschilderingen onaangetast. Die laten perfect zien waarom die toeristen hier überhaupt kwamen. Ze tonen het uitgestrekte terrein dat direct naast Tadmur ligt, met honderden zuilen en tempels uit de oudheid.

Dit is het klassieke Palmyra, dat tot het uitbreken van de oorlog in Syrië in 2011 de meest bezochte toeristische attractie van het land was. De Stad van de Duizend Zuilen, de sprookjesstad in de oase, móést je gezien hebben als je Syrië bezocht. Maar sinds Islamitische Staat in 2015 tot in Tadmur en Palmyra wist door te dringen, is er van het sprookje weinig meer over.

Ik ben hier beland via een lange autorit vanuit Homs. Er bestaat een kortere route, maar die is nog altijd niet veilig. De weg naar Palmyra is niet erg druk. Hier in de vlakte van de Syrische woestijn wonen maar weinig mensen. Af en toe zie ik een schaapskudde met een herder, dan weer een groepje bedoeïenententen met een paar pick-ups. De meeste andere weggebruikers zijn legervoertuigen.

Bij de controleposten onderweg zijn zonder uitzondering grote portretten van de Syrische president Assad te vinden. En vooruit, soms ook van Poetin, de Russische president zonder wie Assad zijn land nooit terug had kunnen veroveren. We worden soms kort, soms uitvoerig gecontroleerd. Vooral de check bij T4, de grootste Syrische legerbasis in de regio, is grondig.

Zwartgeblakerde koffiepot

Behalve de controleposten vormen ook wrakken van uiteenlopende voertuigen een terugkerend element op de route. Bussen, jeeps, militair geschut, of simpelweg onduidelijke stukken schroot die ooit op de weg hebben gereden, liggen langs de kant van de weg. Ze horen, met de kapotgeschoten huizen, tot de onvermijdelijke littekens van de oorlog.

Wrakken van uiteenlopende voertuigen zijn vaste prik op de route naar Palmyra.  beeld Jacob Hoekman

Maar de zwaarste littekens vind ik in Tadmur. Een groen bord met gele letters hangt scheef tegen de ruïnes van wat ooit een villa was. Het wijst de weg naar het vliegveld van Tadmur. ”Game over”, heeft een grapjas met witte verf op het bord gekalkt.

Voor het vliegveld van Tadmur is het game over.  beeld Jacob Hoekman

Even verder stuit ik op een kerk. Nu ja, beter gezegd: wat ooit een kerk was. Door een poort aan de straat kom ik op een kleine binnenplaats. Daar staat nog steeds een gebouwtje in okergele kleuren met oranjerode dakpannen. De dakpannen liggen schots en scheef. In de boogramen zit geen glas meer. Een deur is nergens te bekennen. Sporen van brand ontsieren de gevel.

Voorzichtig loop ik naar binnen. In een vensterbank staat een zwartgeblakerde koffiepot. Op de grond ligt verwrongen staal, wat onduidelijke stukken hout die niet door het vuur verteerd zijn, en vooral heel veel as. Helemaal voor in het kerkje staan de resten van wat ooit het altaar was.

De Syrisch-katholieke kerk van Tadmur is een geblakerde ruïne geworden.  beeld Jacob Hoekman

Het wordt me niet helemaal duidelijk welke kerk dit was. Er is geen kerkganger meer over om het aan te vragen. En ook geen willekeurige buurman; de wijk is voor 100 procent verlaten. Voor deze kerk geldt hetzelfde als voor het vliegveld: game over.

Een lokale agent, die me begeleidt, overlegt met zijn collega. Dan denken ze het zeker te weten: dit moet een Syrisch-katholieke kerk geweest zijn. Ik knik. Het zou zomaar kunnen. In deze omgeving zijn meer Syrisch-katholieke bedehuizen.

De Syrisch-katholieke kerk in Palmyra voor de oorlog. beeld Alko Driest

In elk geval zijn noch de huizen, noch de kerken in deze stad gespaard. Datzelfde geldt overigens voor de moskeeën, waarvan er veel meer te vinden zijn in Tadmur. Ook die zijn ingestort of vertonen zware beschadigingen. Die komen trouwens niet zozeer voor rekening van IS als voor hun bestrijders. Tijdens de herovering van de stad op IS, een keer in 2016 en een tweede keer in 2017, liet het Syrische regeringsleger samen met de Russen alle terughoudendheid varen. De stad werd, net als Raqqa, vooral door de anti-IS-coalitie met de grond gelijk gemaakt. Maar daarover hoor ik mijn begeleiders niet.

Ruïnes van ruïnes

Anders ligt dat met de monumenten van Palmyra. Hier is IS de eerstverantwoordelijke geweest voor de verwoesting. Vanuit Tadmur is het een ritje van hooguit vijf minuten. De zuilen die nog overeind staan, doen me met open mond rondkijken. Nog steeds is iets zichtbaar van de pracht van ooit. Het is simpelweg te veel geweest voor IS om allemaal te vernietigen.

Zelfs na de verwoestingen door IS zijn de zuilen van Palmyra adembenemend.  beeld Jacob Hoekman

Het onbetwiste middelpunt van het archeologische complex is de tempel van Bel of Baäl. Foto’s van voor 2015 laten een massief complex zien. Wat ik nu zie, is de toegangspoort. Die bleek zelfs voor IS te massief om neer te kunnen halen. Maar op een of andere manier versterkt die ene overeind staande poort juist de desolaatheid van de rest.

De tempel van Bel vandaag.  beeld Jacob Hoekman

Terwijl de militairen die me begeleiden samen staan te praten, loop ik door de resten van het vroegere heiligdom. Het was weliswaar een van de best bewaarde klassieke tempels ter wereld, maar het was evengoed al vóór de oorlog een ruïne. Tussen de brokstukken met hun eeuwenoude inscripties vraag ik me dan ook af waar ik nu eigenlijk naar kijk. Naar ruïnes van ruïnes, is mijn conclusie.

Hier liggen ontelbare verhalen op en door elkaar, zoals de stenen om me heen. De clichématige verzuchting „Als de stenen konden spreken...” is nergens meer waar dan hier. Alleen al de klassieke verhalen van deze plaats zijn adembenemend. Daarvoor kwamen de toeristen hier; om te horen van de Romeinen die Palmyra in 273 al eens verwoestten. Om zich in te beelden hoe er in 745 een burgeroorlog woedde die de kop werd ingedrukt met een gewelddadige operatie door het kalifaat van de Omajjaden. Om te horen hoe Timur Lenk, de befaamde veroveraar uit Mongolië, hier in 1400 als een beest huishield. Met een beetje inlevingsvermogen zie je het zo gebeuren.

Jonge tieners

Het zijn gruwelverhalen, maar ze staan zo ver van ons af dat ze weer aantrekkelijk zijn geworden. De geschiedenis heeft de scherpe kantjes eraf gehaald en over de rest een vernislaagje gespoten. Dit gaat over vroeger. Nu doen we dat niet meer zo.

Althans, dat kon je tot 2015 nog ongestraft denken. Maar wie staat in deze door IS opgeblazen tempel, of in het nabijgelegen door IS verwoeste amfitheater, weet dat de recente gruwelen niet onderdoen voor die van het verleden. En er is niet eens inlevingsvermogen voor nodig, want in tegenstelling tot de gruwelen uit de Byzantijnse tijd staan die van vandaag allemaal op video.

Hier werden ze binnen gevoerd, in de vroege dagen van juli 2015: vijfentwintig soldaten van het Syrische regime. Ze moesten plaatsnemen op het podium voor in het theater, geknield, met achter hen een metershoge vlag van IS. Op de stenen banken, waar tweeduizend jaar geleden mensen zaten die zich aan geweld verlekkerden, zaten ditmaal burgers uit Tadmur en IS-sympathisanten uit de regio die eveneens op geweld zouden worden getrakteerd.

Toen kwamen de beulen binnenmarcheren. Vijfentwintig jonge tieners van een jaar of 13, 14, allemaal in hetzelfde uniform. In opdracht, speciaal voor het effect, paradeerden ze voor hun slachtoffers langs. Daarna namen ze plaats achter de geknielde gestaltes. Op commando schoten ze hun pistolen leeg.

Het bloed is niet meer zichtbaar, ruim vier jaar later. Hoewel: het podium is nu grotendeels verwoest en verder bedekt met stenen van de omliggende zuilenrij. Het is er stil. Krekels sjirpen. Een zacht briesje waait tussen de nog overeind staande zuilen door . De beruchte geschiedenis van Palmyra is lang en bloederig, maar niemand kon vermoeden dat een van haar wreedste hoofdstukken pas in onze tijd geschreven zou worden.

Het amfitheater is bijna onherkenbaar veranderd sinds IS delen ervan opblies.  beeld Jacob Hoekman

Gemarteld

Terug in Tadmur. Aan de rand van de stad ligt het museum van Palmyra. Toeristen zijn er niet, maar toch is conservator Ehsan op zijn post. Hij troont me mee door het gebouw, dat ooit de archeologische schatten van de regio toonde. De overblijfselen zijn er nog steeds. Romeinse goden en godinnen sieren zuilen, kapitelen en friezen. De ronde vormen van de godinnen zijn nog duidelijk zichtbaar. Maar één ding is voorgoed verdwenen: de gezichten. Waar IS kwam, sloeg het de afgodische gezichten van de beelden af.

Conservator Ehsan toont hoe IS in het museum van Palmyra de gezichten van de beelden heeft weggeslagen.  beeld Jacob Hoekman

In de grote hal van het museum, waar het weer vrij spel heeft door een gapend mortiergat in het dak, staat een portret tegen een wand. Het is een levensgrote foto van Khaled al-Asaad, veertig jaar lang hoofd van de opgravingen en restauraties in het klassieke Palmyra. Hij was zo vergroeid met de antieke stad dat hij de bijnaam ”Mr. Palmyra” kreeg.

Toen IS in de zomer van 2015 de stadsgrenzen naderde, maakte de 83-jarige Asaad zich weinig illusies. De jihadi’s zouden hun aversie tegen kunst zeker willen botvieren in de oude stad, zo wist hij. En dus hielp hij met het ontruimen van het museum, zo goed en zo kwaad als dat ging. De grote voorwerpen konden niet tijdig worden verkast, maar de kleinere objecten werden mede door zijn toedoen tijdig in veiligheid gebracht.

Zelf echter bleef hij bij zijn zuilen en opgravingen, ook toen IS met bombastisch geweld de boel kort en klein sloeg. Het kostte hem zijn leven. De oude man werd, na gemarteld te zijn, op 18 augustus 2015 ritueel geslacht door IS-strijders. Zijn lichaam werd opgehangen aan een verkeerslicht in Tadmur, zijn hoofd werd ernaast gezet.

Een bord met ’s mans ‘misdrijven’ werd aan zijn lichaam gebonden: Asaad was onder meer een „afvallige”, hij vertegenwoordigde Syrië op conferenties van „ongelovigen” en hij was „directeur van de afgoderij” in Palmyra. Alle details weten we door toedoen van IS zelf: ook van deze misdaad maakten de jihadi’s gretig beeldmateriaal.

Ik bekijk het plein in Tadmur waar Asaad zijn laatste minuten doorbracht. En ik ervaar hetzelfde als meestal op dit soort plaatsen: de werkelijkheid wil niet volledig tot me doordringen. Alsof er een automatisch beschermingsmechanisme in werking treedt dat me ervoor behoedt om alle details van deze doodse stad te absorberen.

Broodje falafel

Twee jongens op gammele fietsen komen voorbij. Eindelijk, leven! Volgens mijn begeleiders zijn er toch nog, of alweer, enkele tientallen gezinnen die in deze stad wonen. We vinden zelfs een shoarmazaakje dat open is. Het voelt als een randje van licht dat langs een verduisterde zon tevoorschijn komt. Als we er stoppen, komt de eigenaar direct naar ons toe. Buitenlands bezoek, anders dan militairen, dat is hier sinds 2011 zeldzaam.

Ik bestel een broodje falafel. Graag wil ik wat extra’s betalen, maar die vlieger gaat niet op. Suhail, de falafelverkoper, staat erop dat ik het broodje zonder betalen van hem aanneem.

Falafelverkoper Suhail maakt een broodje klaar in het bijna uitgestorven Tadmur.  beeld Jacob Hoekman

Samen zitten we op de stoep voor zijn zaak op twee krukjes die een buurman in allerijl heeft gebracht. Hoe kan iemand overleven in een stad die zo kapotgeschoten is als Tadmur? Suhail schokschoudert. „Dit is mijn stad. Hier hoor ik thuis”, zegt hij eenvoudig.

Alleen toen Islamitische Staat hier de scepter zwaaide, pakte hij met zijn gezin zijn biezen en week uit naar Homs, in het westen van het land. Maar zodra het kon was hij weer terug. „Het Syrische en het Russische leger beschermen ons”, glimlacht hij.

Zo denkt de buurman er ook over. Wie op handen is van de Syrische president Assad, heeft hier weinig te vrezen. Maar wie heult met soennitisch-radicale bewegingen zoals IS, mag hier sinds de herovering van Tadmur door het Syrische regeringsleger voor zijn leven vrezen.

Op de stoep voor de winkel zit een jongen van een jaar of 12 met een fietswiel te prutsen. Ook hij wil in Tadmur blijven. Waarom? Hij wijst op een paar vrienden. Dit is zijn leven. Dit is zijn werkelijkheid – ook al is dat een werkelijkheid te midden van puin.

Ook in een verwoeste stad bouwen kinderen aan de toekomst.  beeld Jacob Hoekman

„De school is gewoon open hoor”, relativeert de falafelverkoper. Hij wijst naar het andere eind van het huizenblok. „Daar. Er wordt elke dag les gegeven aan de kinderen die hier nog zijn.” De jongen knikt, een glimlach van oor tot oor. Dan stort hij zich weer op zijn werk. Als het aan hem ligt, heeft het eeuwenoude Palmyra niet alleen een groots verleden, maar ook een stralende toekomst.

Oase in de woestijn

De geschiedenis van Palmyra of Tadmur is duizelingwekkend. De bewoning van de stad langs de Zijderoute gaat terug tot zeker 2000 jaar vóór Christus. Rond 1000 voor Christus liet de Joodse koning Salamo Tadmur versterken, zo staat in 2 Kronieken 8:4. Weer duizend jaar later, rond 30 v.Chr., waren het de Romeinen die hun oog op Tadmur lieten vallen. Zij waren de eersten die de naam Palmyra gebruikten, omdat de stad in de oase rijk was aan palmbomen.

Na pakweg het jaar 300 kreeg het christendom steeds meer ingang in Palmyra, en weer 300 jaar later werd Palmyra onderdeel van de opeenvolgende islamitische kalifaten.

Nadat de Mongoolse veroveraar Timur Lenk de stad in 1400 veroverde, ging het bergafwaarts. De bouwwerken vervielen tot ruïnes, totdat de stad in de 19e en 20e eeuw weer belang stelling trok van archeologen en later ook van toeristen. Die toeristen bleven weg nadat de Syrische burgeroorlog uitbrak en IS, in 2015, de stad innam. In 2017 heroverde het Syrische leger Palmyra definitief op de jihadi’s.

Van tempel tot kerk tot moskee tot ruïne

De tempel van Bel of Baäl was tot 2011 de grootste publiekstrekker tussen de vele ruïnes van Palmyra. Per jaar bezochten zo’n 150.000 toeristen de roemruchte plaats. De tempel werd in de eerste eeuw gebouwd op de plek waar eeuwen daarvoor een tempel stond die gewijd was aan Baäl, de Kanaänitische god die in de Bijbel berucht is om de kinderoffers die hij vraagt, en om de losbandige vruchtbaarheidscultussen die in zijn tempels plaatsvonden.

Rond het jaar 300 werd de tempel ingewijd als Byzantijns-christelijke kerk. Dat duurde tot ongeveer 1100, toen het gebouw een moskee werd. Die functie raakte in onbruik toen Palmyra aan belang inboette en de bevolking wegtrok naar het naastgelegen Tadmur.

In de 19e en vooral in de 20e eeuw werd het historische belang van de tempel en de omliggende monumenten ingezien. Het 2000 jaar oude bouwwerk werd een magneet voor toeristen, totdat Islamitische Staat de plaats in 2015 veroverde en de tempel opblies. Wat rest zijn de toegangsboog en grote brokken steen. De Syrische overheid heeft aangekondigd het complex te willen restaureren, maar het lijkt onwaarschijnlijk dat dit op korte termijn gaat gebeuren.

beeld Jacob Hoekman

Over de auteur

Jacob Hoekman is correspondent voor het Reformatorisch Dagblad. Hij woont in het Midden-Oosten met zijn gezin en reist door de Arabische wereld om de verhalen achter het nieuws op te tekenen. Van zijn hand verscheen onlangs het boek ”In de schaduw van het kalifaat”.