Grote kunst uit ”brave little Belgium”

Gedurende zijn ballingschap in Wales, tijdens de Eerste Wereldoorlog, maakte George Minne (1866-1941) maar liefst 400 tekeningen waarin hij het moeder-en-kindthema bijna obsessioneel opvoerde. En daar had hij alle reden voor: de kunstenaar uit de Leiestreek had drie zonen aan het front. In Gent presenteert het Museum voor Schone Kunsten tot 17 maart een selectie in de tentoonstelling ”Kunst in ballingschap. Vlaanderen, Wales en de Eerste Wereldoorlog”.

Duizenden Belgische vluchtelingen namen tijdens de Grote Oorlog het zekere voor het onzekere en zochten over het Kanaal een veilig heenkomen. Onder hen bevond zich een zestigtal kunstenaars, die zich bij voorkeur in Londen vestigden. Enkelen kwamen in Wales terecht, en dat bleek niet toevallig. Overigens waren die enkelingen niet de eersten de besten, maar de coryfeeën van de legendarische Eerste Latemse Groep.

”Kunst in Ballingschap” volgt hun spoor op de voet, neemt hun Welshe kunstproductie onder de loep en confronteert hun oeuvre met dat van de Welshe kunstfraters Augustus en Gwen John, Frank Brangwyn en David Jones. Conservator Robert Hozee van het Gentse museum pakt hier uit met een opmerkelijke expositie die hijzelf als „een groot dossier” omschrijft. Het gebeuren toont minder bekend werk van onder anderen Valerius de Saedeleer, Gustave van de Woestyne, Minne en zijn schoonzoon Edgar Gevaert.

Dat de Eerste Latemse Groep in Wales neerstreek had vooral te maken met mecenassen Gwendoline en Margaret Davies, die alles in het werk stelden om Belgische kunstenaars naar de groene heuvels van Wales te lokken. Natuurlijk was er ook de puur menselijke bekommering om vluchtelingen uit ”brave little Belgium” een hart onder de riem te steken.

Tegelijkertijd hoopten de gefortuneerde en kunstzinnige zusters Davies op een culturele verrijking die het Welshe kunstlandschap moest wakker schudden. En kunstzinnig waren ze!

Omstreeks 1913 spendeerden ze 120.000 pond aan 75 kunstwerken, waaronder een Renoir. Voorts zetten ze in datzelfde jaar hun schouders onder de expositie ”A Loan Exhibition of Paintings” in de City Hall van Cardiff, de tot dan toe rijkst gestoffeerde expositie van moderne Franse kunst in Groot-Brittannië. Ondanks al die verwoede inspanningen wilde het met de Welshe kunst niet echt vlotten en stokte de artistieke vernieuwing in een achterhaalde nationalistische reflex.

De avant-garde was niet meteen geïnteresseerd in nationalistische idealen. Maar de aangespoelde kunstenaars uit België liepen wel in de kijker. De symbolistische dichter Emile Verhaeren (1855-1916), volgens het blad ”The Welsh Outlook” de „belangrijkste Belg die in Wales was aangekomen”, bezocht tijdens een hectische lezingentournee zo ongeveer alle Welshe universitaire colleges. Lang zou hij er niet vertoeven, in 1915 ging hij naar Frankrijk, waar hij één jaar later in Rouen bij een tragisch treinongeval overleed.

Luminist Emile Claus(1849-1924) vestigde zich op eigen initiatief in Cardiff, waar hij in zijn kleurige pastels het licht achterna zat. In 1915 verhuisde hij naar Londen. Minne, de Saedeleer en Van de Woestyne kwamen door tussenkomst van de familie Davies in het charmante kuststadje Aberystwyth in West-Wales terecht. Vandaar trokken ze naar Llanidloes, waar de symbolistische beeldhouwer George Minne zich al meer isoleerde.

Bij gebrek aan beeldhouwmateriaal maakte hij er honderden tekeningen, tot op de muren van zijn huis toe. Zijn existentiële angst en onmacht tegenover de oorlog gaf hij vorm in spraakmakende thema’s: moeders die hun kind omhelzen, wachtende vrouwen, piëta’s en Christusfiguren. De moederlijke bescherming kreeg in die gruwelijke oorlogsjaren een indringende symbolische waarde.

Ook Valerius de Saedeleer kwam in zijn quasi-religieuze landschappen gelardeerd met glooiende groene heuvels tot inkeer. In plaats van een zintuiglijke kunstbeoefening zoals het impressionisme nastreeft, speurde De Saedeleer in zijn schilderkunst naar elementaire gevoelens en eeuwige waarden. Vaak penseelde hij stemmige wintertaferelen, zoals zijn doek ”Winterlandschap met boom”, dat evenals de Saedeleers ”Cardiganshire-triptiek” uit het legaat van Margaret Davies komt. Bij van de Woestyne valt dezelfde religieuze geaardheid op, in tegenstelling tot de heftige en abstracte gebaren van Permeke. Het boegbeeld van het Vlaams expressionisme herstelde van zijn verwondingen in Londen, nadien in Chardstock. In Gent is hij vertegenwoordigd met het schilderij ”De ware verhalen” uit de Hannema-de Stuers Fundatie in Heino, waarin de oorlog trilt en Permeke tot het heftigste expressionisme uit zijn oeuvre komt.

Het verblijf van de Vlaamse ’ambassadeurs’ leidde in Wales niet tot een artistieke kruisbestuiving. Tot een echte dialoog is het immers nooit gekomen, ondanks de tentoonstellingen en de materiële steun die de Vlamingen ten deel viel. Daar kwam nog bij dat de rol van de gezusters Davies in 1916 op het kunstzinnige front was uitgespeeld toen ze zich als vrijwilligsters van het Rode kruis opgaven en naar de Somme vertrokken.