Goed doen in een verlamd land

Syrië likt zijn wonden
Een Syrische predikant stapt over het puin in de deels verwoeste stad Homs. Bij de puinhopen neerzitten is geen optie voor veel christenen in het land, maar verder maakt iedereen zijn eigen keuzes. beeld Jacob Hoekman
5

Bijna zeven jaar nadat in Homs het eerste schot viel, ligt Syrië er verlamd bij. Er is geen familie die niet is getroffen door de oorlog. Wat staat je als inwoner van Syriër in zo’n geval te doen? Vluchten? Blijven? Vechten? Helpen? Een reflectie op de keuze van vier Syrische christenen.

Blijven tot het eind: de martelaar

Naam: Frans van der Lugt

Woonplaats: Homs

Het staat veel Nederlanders –én menig Syriër– nog scherp op het netvlies: de moord op de Nederlandse pater Frans van der Lugt in het Syrische Homs. Van der Lugt wilde zijn mensen niet in de steek laten en moest dat met zijn leven bekopen toen gewapende mannen hem in 2014 door het hoofd schoten.

Onder degenen die zich dat nog haarscherp voor de geest kunnen halen, is ds. Mofid, de 37-jarige predikant van de presbyteriaanse gemeente in Homs. „Ik kende hem persoonlijk”, zegt ds. Mofid in het kantoor bij zijn kerk. „Een enkele dag voordat hij werd vermoord, was ik in een rooms-katholiek centrum hier in Homs. Dat centrum lag buiten de belegerde zone. Hij belde daarheen vanuit zijn klooster, dat zich in het oorlogsgebied bevond. Ik kom naar jullie toe, zei hij toen. Hij had een douche en een warme maaltijd nodig – dingen die toen niet te krijgen waren in dat deel van Homs. Maar vlak voordat hij zou komen, is hij vermoord.”

In de maanden voor de moord verslechterde de situatie in Homs snel. Van der Lugt gaf verschillende interviews waarin hij uitlegde hoe slecht de omstandigheden waren. Geen elektriciteit, nauwelijks voedsel. „We willen niet sterven van honger en pijn”, zei hij in januari, een paar maanden voordat hij werd doodgeschoten.

Hoewel hij had kunnen vertrekken, wilde de pater dat niet. Hij was vastbesloten om zijn gemeenschap te blijven dienen, koste wat kost. Dat duurde tot 7 april 2014. Gewapende mannen, waarschijnlijk behorend bij al-Nusra –een groep gelieerd aan al-Qaida–, haalden hem ’s morgens uit zijn klooster en schoten hem dood.

Pater Van der Lugt werd diezelfde dag nog begraven in de kloostertuin. Daar is zijn graf nog steeds te vinden. Wie zich een weg weet te banen door alle checkpoints in Homs, waar militairen nog altijd massaal aanwezig zijn en waar de verwoesting in sommige wijken immens is, kan het jezuïetenklooster bezoeken. In de kloostertuin, tegen de muur, ligt een graf met een groot stenen kruis erop. Zijn portret is meer dan levensgroot op de muur naast het graf geschilderd. De pater is niet meer, maar wie hier komt, kan niet ontgaan dat de jezuïeten hun martelaar in ere houden.

De wapens oppakken: de soldaat

Naam: Aboud Suryani

Woonplaats: Raqqa

„Ik ben commandant van de Syrische Militaire Raad, de legereenheid die is opgezet vanuit de Assyrisch-christelijke gemeenschap hier in het noorden van Syrië. Die eenheid bestaat uit vier groepen van elk 100 tot 150 man. Ik voer de groep hier in Raqqa aan, de voormalige hoofdstad van Islamitische Staat. Op dit moment woon ik met mijn mannen in een oude villa vlak bij Raqqa. We hebben geholpen bij de bevrijding van de stad. Dat was een heftige operatie, en dat is het nog steeds. IS gebruikte onder meer sluipschutters en drones met explosieven. Een van onze mensen is door zo’n sluipschutter om het leven gebracht. In totaal hebben we vier martelaren. Die gedenken we in onze gebeden.

We zijn nu onder meer actief in het opruimen van mijnen en andere explosieven. We vinden ze overal: in kussens van zitbanken, in een kachelpijp, in een koelkast. De laatste werd actief op het moment dat de deur geopend werd.

Op dit moment zijn vooral de tunnels van IS in Raqqa nog erg gevaarlijk. Er wordt vanaf die plaatsen nog geschoten. Maar langzaam maar zeker zullen we alles schoonvegen. Eerst bovengronds, en daarna ondergronds. De doden, de explosieven: alles wat daar nog ligt, zal moeten worden opgeruimd.

Ik ben zelf nog maar 19 jaar; de meeste mensen in mijn eenheid zijn ouder. Maar ze hebben er geen enkel probleem mee dat ik de leiding heb. Niet leeftijd is wat telt, maar moed en ervaring. Ik ben al sinds de oprichting van onze legereenheid betrokken bij operaties.

Voor mij is het geen enkele vraag of christenen hieraan mee moeten doen. We hebben nog niet zo lang het recht om mee te vechten als Syrische Militaire Raad. Dit is erg belangrijk voor ons. Ik doe dit om de christenen in dit land vrijheid te geven. In deze stad zijn bijna alle christenen gevlucht; hoogstens vier tot vijf christelijke gezinnen hebben de bezetting door IS overleefd. Daarvoor hebben ze enorme bedragen aan jizya moeten betalen; de islamitische belasting voor christenen. Mede door onze inspanningen is die tijd nu voorbij. En een weg terug is er wat mij betreft niet meer. We hebben ons bloed gegeven, we zullen hier nu nooit meer weggaan.”

Elders opnieuw beginnen: de vluchteling

Naam: Christ Madoyan

Woonplaats: Damascus

„Ik ben 22 jaar oud en kom uit een Armeens-orthodoxe familie in Qamishli, in het noorden van Syrië. Als gevolg van de oorlog zijn we naar Damascus gekomen. Hoewel ik in een christelijk gezin ben grootgebracht, was mijn vader geen kerkganger. Dat geldt voor veel meer Armeens-orthodoxe gezinnen. Veel christenen kennen geen levend geloof.

Zelf hield ik al als kind van Jezus, zo ver als mijn herinneringen teruggaan. Later gebeurde er van alles en was ik daar niet zo zeker meer van, maar God wilde tot mij spreken in mijn gebrokenheid toen ik 17 jaar was. Hij zocht me op tijdens een protestantse bijeenkomst waar ik me heel erg thuis voelde. Ik raakte er opnieuw van overtuigd dat, als iemand mij zou kunnen redden, het deze God zou zijn – dwars door mijn zonden heen. Op 23 maart 2012 heb ik mijn leven aan Christus gegeven. Die datum zal ik nooit vergeten.

Intussen is het een aantal jaar later en ik zie om me heen dat de kerk in Syrië disfunctioneert. Veel van de leiders zijn vertrokken naar het buitenland, waardoor mensen alleen achterblijven met hun problemen. Er is met name een grote behoefte aan counseling; aan goede, christelijke raad voor mensen die met levensvragen zitten. Ik spreek bijvoorbeeld christelijke jongeren die worstelen met homoseksualiteit, maar er niets over durven te zeggen. Zij kunnen met niemand praten.

Zelf wil ik een opleiding volgen in counseling, zodat ik jongeren die vastgelopen zijn, verder kan helpen. Maar niet hier. En daar heb ik een heel duidelijke reden voor. Als ik in Syrië blijf, moet ik in het leger. Eigenlijk is dat de belangrijkste reden voor bijna iedere jongeman die Syrië verlaat. Wie blijft, moet jaren dienen in het leger van president Assad, met alle gevolgen van dien. Voor heel veel jongeren is dat een schrikbeeld. Voor mij ook. Dat wil ik absoluut niet. Daarom wil ik proberen of het me lukt om in België te komen. Ik heb daar familie en voor mij is dit in feite de enige optie. Ik weet dat ik dan óók Syrië verlaat, maar ik heb er vrede over. Als ik, als counselor, onder Syrische vluchtelingen kan werken in Europa, kan ik op die manier ook God dienen.”

Ex-moslims bijstaan: de pastor

Naam: ds. Da’as Haddad

Woonplaats: Homs

„Sinds 29 jaar ben ik de pastor van de baptistengemeente hier in Homs. Dit is de stad waar in maart 2011 de eerste kogel werd afgevuurd die de huidige oorlog inleidde. We zitten hier in een christelijke wijk in het hart van de stad, omgeven door soennitische moslims aan de ene kant en alevitische moslims aan de andere kant – tussen hamer en aambeeld. Daardoor lagen we een tijdlang midden in de vuurlinie. Soms moesten we onze kerkdiensten annuleren omdat er hier zo hard werd gevochten.

Mijn vrouw en kinderen zijn in de Verenigde Staten. Ik bezoek ze af en toe. Zelf heb ik vaak met de gedachte gespeeld om daar te blijven. Ik heb met God geworsteld omdat ik niet begreep waarom de kerk hier dit moest overkomen. De gemeente leek ter ziele te gaan in die tijd van heftige strijd. Maar ik voelde geen vrede over het voornemen om te vertrekken. Dus ben ik gebleven.

Sommigen verklaarden me voor gek, maar nu weet ik waarom ik moest blijven. Terwijl de opstand zich over het land verspreidde, werd het centrum van Homs juist zo’n beetje de veiligste plek van het land. Dat had ik nooit gedacht. Vluchtelingen uit Raqqa, Palmyra, Deir al-Zor: ze kwamen met velen tegelijk hierheen.

Als kerk wisten we dat we hier een taak hadden. De meeste vluchtelingen waren moslims. Velen kwamen naar ons toe omdat ze hoorden dat we hen zouden helpen in hun fysieke noden. We spraken af dat we daarin zouden voorzien ná de kerkdienst. En dat deden we. We merkten vervolgens dat veel moslims daarna ook geestelijke behoeften kregen. En niet alleen moslims. Ook nominale christenen, die verder weinig met het geloof hadden maar bij ons aanklopten, hoorden hier soms voor het eerst het Evangelie uitgelegd worden. Over de afgelopen jaren zijn hier zo’n 450 mensen tot geloof gekomen. Er zijn dagen dat er 150 mensen met een islamitische achtergrond in de kerk zitten.

Ik weet zeker dat ik hiervoor in mijn land moest blijven. En er staat meer te gebeuren. Ik heb geloof dat God hier iets buitengewoons gaat doen. Deze oorlog lijkt op een goddelijke voorbereiding voor een geestelijke vernieuwing. Dat is wat mij hier houdt.”

serie Naoorlogs Syrië

Midden-Oostencorrespondent Jacob Hoekman reisde door Syrië en deelt zijn ervaringen in een serie. Deel 3: Hoe christenen reageren op zeven jaar oorlog.