Godsdienstvrijheid is ook tussen bevolkingsgroepen in het geding

Leden van Musalaha bijeen in Israël.  beeld Alfred Muller

De verzoeningsorganisatie Musalaha is met een nieuw curriculum begonnen: Vrijheid van Godsdienst en Geloof. Dat is het recht een godsdienst te hebben of niet en die te kiezen of te verlaten.

In democratische landen garanderen regeringen deze vrijheden. Maar dat wil niet zeggen dat er geen problemen bestaan. Al mag een regering zich tolerant opstellen, dat betekent nog niet dat de diverse groepen in de samenleving goed met elkaar omgaan. Als twee groeperingen verschillende godsdiensten en etnische achtergronden hebben, kunnen er gemakkelijk spanningen ontstaan.

Het curriculum van Musalaha (Arabisch voor „verzoening”) moet Palestijnse en Israëlische leiders in staat stellen verzoening te bevorderen. De in 1990 opgerichte organisatie heeft Israëlische en Palestijnse bestuursleden en streeft ernaar verzoening tussen beide volken te bevorderen. Daarbij laat de organisatie zich inspireren door het leven en onderwijs van de Heere Jezus. Israëliërs en Palestijnen komen bij elkaar voor ontmoetingen en studiebijeenkomsten om te leren over en te werken aan verzoening. En dat is hard nodig in een land waar de vijandschap wijd verbreid is en ook in de kerken en gemeenten is doorgedrongen.

Waarom juist aandacht voor godsdienstvrijheid? Israël en Palestina kennen godsdienstvrijheid. Toch komen ze er niet gunstig van af in een dit jaar gepubliceerd rapport van het Amerikaanse Pew Research Centrum. Dit centrum verricht onderzoek naar sociale kwesties, publieke opinies en demografische trends in de VS en in de wereld. Pew onderzocht in 198 landen de mate van door de regering opgelegde restricties en de vijandschap tussen religieuze groepen. Israël scoorde eind 2017„zeer hoog” en Palestina „hoog” op de schaal van landen met sociale vijandschap waarbij religie een rol speelt.

„We dachten eerst dat vrijheid van religie te maken heeft met vrijheid om te aanbidden en over je geloof te leren”, zegt dr. Salim Munayer, directeur van Musalaha. „Dat is de klassieke definitie. Maar we ontdekten dat godsdienstvrijheid niet alleen te maken heeft met wat regeringen doen, maar ook met vijandschap tussen mensen. Er zijn dan verschillende groepen in een land, die vijandig staan tegenover groeperingen met een andere godsdienst.”

Voor een organisatie die werkt in dienst van verzoening, is dat een belangrijk gegeven. Godsdienst is een integraal en belangrijk deel van iemands identiteit. Zo ziet Munayer onder Messiasbelijdende Joden soms vijandschap tegen ultraorthodoxe Joden en onder christenen tegen moslims. Vijandschap komt ook onder christenen onderling voor. Palestijnse christenen werden ervan beschuldigd antisemitisch of communistisch te zijn.

Deelnemers aan de activiteiten van Musalaha hebben ontdekt dat ze de noodzaak van godsdienstvrijheid voor zichzelf duidelijk zien, maar dat ze het moeilijk vinden die vrijheid voor andere religieuze groepen te promoten. Godsdienstvrijheid wordt van nature door iemands persoonlijke bril gezien. Bij een bijeenkomst van christen-vrouwen bleek bijvoorbeeld dat ze zich altijd als slachtoffers van religieuze vijandelijkheden zagen. Het was een eyeopener te ontdekken dat ook moslims zich slachtoffer voelen.

„De kwestie van vijandschap tussen religieuze groepen is een belangrijk aspect dat moet worden aangepakt,” schrijft Munayer in een publicatie. „Ook wereldwijd.”