Ervaring met ademnood maakt lockdown dragelijker

Corona

Hoe wordt de intelligente lockdown een beetje dragelijk? Door ons in te leven in wat er op ic’s gebeurt. Dat is gemakkelijker voor wie zelf wel eens in ademnood is geweest.

De vraag zal in deze tijd van verdriet bij veel nabestaanden opkomen: hoe kán het toch dat het openbare leven gewoon doorgaat? Dat mensen praten en lachen, terwijl voor óns de wereld stilstaat?

Het is vast kinderlijk-naïef, maar ook ik vroeg het me af op momenten dat ik met gebogen hoofd op weg was naar een kerkhof. Verdriet heeft onverdraagzame trekjes. Begrijp me goed: het gaat hier om meer dan een roep tot publiek fatsoen, een blijk van respect, al of niet geveinsd, in de zin van even afstappen. Het is veel meer dan dat, al helpt het wel, zo’n uiterlijke verstilling van straatleven.

De lockdownmaatregelen die in ons land nu gelden, hebben iets van dat laatste, van zo’n afgedwongen blijk van respect. Akkoord, aangepast gedrag komt ons allemaal ten goede, toch is de kern ervan respect en: solidair zijn met ouden van dagen die extra vatbaar zijn voor het coronavirus.

Hoe houd je dat vol als je niet twee minuten, maar maandenlang respect moet tonen door af te zien van etentjes en uitjes? Het antwoord op die vraag kent veel ingrediënten –vette boetes bijvoorbeeld– maar inlevingsvermogen hoort er zeker ook bij. Wie er geregeld bij stil staat dat op ic’s wordt geknokt om levens te behouden, die staat anders in zo’n lockdown, en houdt het langer vol om niet zichzelf slachtoffer te voelen.

Nu valt het de een gemakkelijker om dingen in te leven dan de ander. Zelf word ik weer helemaal tot de orde geroepen zodra ik het woord ademnood hoor. Dat zit zo.

Zo’n tien jaar geleden overnachtte ik in een eenvoudig hotel in Trincomalee, een havenstad aan de oostkust van Sri Lanka. Vanwege een licht astmatische afwijking ben ik bij het kiezen van een kamer alert op de aanwezigheid van een airco of een fan – zo’n koeler aan het plafond. Mijn kamer in Trincomalee had zo’n plafondventilator en daar was ik blij om: het was er bloedjeheet en vochtig. Naarmate de avond vorderde werd het buiten ook nog eens windstil en viel iedere verkoeling weg.

De driftig draaiende fan was nog mijn enige hoop op een rustige nacht, totdat ook die uitviel door een stroomstoring. In korte tijd verdichtte de lucht zich tot een deken en happend naar adem zocht ik mijn weg naar buiten. Logisch voor iemand die uit Nederland komt en gewend is „een luchtje te scheppen.” Maar ook daar was de lucht om te snijden.

Mijn lichaam leek op een ontregeld verkeersplein. Paniek zorgde voor een snelle hartslag, maar meer zuurstof wás er niet en daarom was tot rust komen nog de enige goede keuze. Breng dat iemand in ademnood maar eens aan zijn verstand! Die laat zich, zo wist ik, door één ding rustig maken: afleiding.

Zittend voor mijn kamerdeur ben ik intensief gaan luisteren naar geluiden van de nacht. Ik hoorde een snurkende buurman, maar ook een koor van cicades en kikkers. Even later hoorde ik nóg iets: een suizend geluid in mijn kamer: de fan was weer gaan draaien.

Die ervaring met ademnood, daar op dat kamertje in ‘Trinco’, helpt mij nu om me een beetje in te leven wat mensen op ic’s meemaken, niet een uurtje in de nacht, zoals ik, maar wekenlang.

En de intelligente lockdown? Die probeer ik geduldig te ondergaan.