Een veilige haven voor Afrika’s albino’s

Daniel Moi lacht om de vooroordelen tegen albino’s, maar ze maken hem ook verdrietig.  beeld Eva de Vries

In Tanzania zijn lichaamsdelen van albino’s nog steeds goud waard, terwijl mensen met dezelfde aandoening in buurland Kenia vaak wél geaccepteerd worden. Toch sluimert ook hier de discriminatie.

Op een groot bord boven stapels gekleurde matrassen staat Mzungu Reloaded. De winkel is ingeklemd tussen een schoenenstal en een Coca-Cola-kiosk, gelegen aan een drukke winkelstraat in Nairobi’s grootste sloppenwijk Kibera. „Ik zie eruit als een ”mzungu”, vandaar die naam”, zegt eigenaar Whycliffe Ambenyi, verwijzend naar het Swahili-woord voor blanke. Vanwege zijn bleke huid en witte haar wordt hij vaak zo genoemd. „Ik heb er mijn handelsmerk van gemaakt”, zegt hij grinnikend, „zo weten mensen mijn winkel tenminste te vinden. Slim toch?”

Akkoord, Ambenyi wordt weleens nagekeken op straat, maar echt anders dan anderen voelt hij zich niet. Toch zijn mensen met albinisme geen volwaardig onderdeel van de Keniaanse samenleving, zegt Daniel Moi van de Kenya Albinism Society, een organisatie die zich inzet voor gelijke rechten van albino’s in Kenia. „Hier worden we misschien niet afgeslacht zoals in Tanzania, maar gediscrimineerd worden we wel, zeker op de arbeidsmarkt.” Moi, zelf ook albino, legt uit dat iemand met albinisme vaak geen kans maakt op een baan, ook al zijn de papieren in orde. „Zodra ze in de gaten krijgen hoe je eruitziet, kun je de baan op je buik schrijven.”

Eigen zaak

Volgens Moi worden albino’s al vanaf de basisschool achtergesteld. „Op de een of andere manier denkt men dat er ook met onze hersens iets mis is”, zegt hij. „En zo krijgen we dus niet dezelfde kansen als onze donkere landgenoten.” De Kenya Albinism Society lanceerde daarom een project dat albino’s helpt om economisch zelfstandiger te worden. Geïnteresseerden worden ondersteund met het opzetten van een eigen zaak. „Zo nemen ze het heft in handen, doen iets waar ze goed in zijn en kunnen voor hun families zorgen.”

Zo begon ook Ambenyi zijn matrassenshop in Kibera. „Voordat ik mijn eigen zaak had, lukte het maar niet om een baan te vinden. Ik heb echt van alles geprobeerd, maar werkgevers dachten vaak dat ik het werk niet aankon”, zegt hij. „En als ik wel werd aangenomen, kreeg ik minder betaald dan mijn collega’s.” Zijn zaak heeft hem veranderd, positiever en zelfverzekerder gemaakt. „Met mijn vrouw en kinderen woon ik in een mooi huisje en er staat iedere dag eten op tafel.”

Terwijl toeterende ”boda boda’s” (motortaxi’s) voorbijrijden, op zoek naar passagiers, en er popmuziek uit de boxen van zijn buren schalt, probeert Ambenyi een klant te overtuigen om een matras te kopen. „Dit is echt een goede prijs”, zegt hij. Het onderhandelen begint. Hij lacht en maakt allerlei gebaren. Hij heeft er zichtbaar plezier in. Terwijl de potentiële klant in de verkoelende schaduw van zijn winkel staat, trekt Ambenyi zijn hoed wat verder over zijn oren. De zon is heet vandaag.

“Yes we can”

In de wijk Makadara, in het oosten van de stad, ontmoet ik Francis Kuria, trotse eigenaar van een kleine kiosk, waar hij onder meer eieren, brood en suiker verkoopt. Ook hij kon zijn droom verwezenlijken met steun van het werkproject. „Maar eerst moest ik mezelf accepteren, en geloven dat ik het kon.” Hij had daarbij steeds het motto van de Amerikaanse oud-president Obama in zijn hoofd: ”Yes we can”. En ook al had hij wat opstartproblemen, nu runt hij een winkeltje waarmee hij zijn gezin kan onderhouden.

Ondanks de inzet van de Kenya Albinism Society blijven er vooroordelen bestaan. „Veel mensen denken bijvoorbeeld dat albino’s niet overlijden, maar gewoon in het niets verdwijnen”, vertelt Moi. Hij lacht erom, maar eigenlijk maakt het hem verdrietig. „Anderen denken dat je van aids geneest als je de nacht doorbrengt met een albino, of dat je heel rijk wordt als je hun lichaamsdelen verkoopt. Dit zijn mythes. Het is simpelweg onzin.”

De organisatie krijgt steun van de Keniaanse regering. Albino’s hebben bijvoorbeeld recht op gesubsidieerde brillen en zonnebrandcrème en T-shirts met lange mouwen, om zo hun kwetsbare huid te beschermen tegen huidkanker. „Dat onze broeders en zusters in andere Afrikaanse landen zo veel slechter worden behandeld, komt vooral doordat het bijgeloof daar hardnekkiger is”, denkt Moi.

Dapper

Bij Mzungu Reloaded in Kibera heeft Ambenyi de eerste shillings van de dag verdiend. In de verte gaat zijn klant, met een matras balancerend op het hoofd, de hoek om.

Zijn enthousiaste verkooptechniek heeft blijkbaar gewerkt. „Mensen zien me hier niet als albino”, zegt hij. „Ze zien me als een aardig persoon en een goede, productieve zakenman.” Weer die aanstekelijke glimlach. „En dapper zijn helpt ook. Het begint met je eigen instelling: als je een lafaard bent, doen mensen ook laf tegen jou.”

Albinisme in Afrika

Albinisme is een aangeboren erfelijke aandoening waarbij het huidpigment melanine weinig tot niet wordt aangemaakt. Hierdoor hebben albino’s vaak een bleke huid, wit haar, rozerode of lichtblauwe ogen en rode pupillen. De huid is gevoelig voor de zon, verbrandt snel en veel albino’s hebben last van oogklachten.

Volgens de Wereldgezondheidsorganisatie wordt een op de 5000 tot 15.000 mensen in Sub-Sahara-Afrika geboren met albinisme. Dit aantal ligt fors hoger dan in Europa en Noord-Amerika, waar een op de 20.000 mensen de afwijking heeft.

In verschillende Afrikaanse landen, zoals Burundi en Tanzania, wordt albino’s magische krachten toegeschreven. Dit bijgeloof leidt er nog steeds toe dat veel albino’s worden vermoord, zodat hun lichaamsdelen verkocht kunnen worden voor alternatieve medicijnen.