De strijd tegen bevroren voeten in de Russische winter

Rusland
In het hartje van Moskou zet orthodox priester Alexander Borisov zich in voor daklozen. beeld RD, Evert van Vlastuin
8

’s Nachts op straat leven is in de Russische winter spelen met je gezondheid. Je zou zomaar kunnen bevriezen. En dat wodkaatje om warm te worden is minder onschuldig dan het lijkt. Het Noah-project in Moskou biedt de daklozen opvang.

Een vrouwelijke bewoner van het Huis van Noah zit op haar knieën voor een mannelijke huisgenoot. Ze zwachtelt zijn voeten in. Daarna verzorgt ze zijn handen. „Op straat zijn zijn handen en voeten bevroren”, licht Joeri toe. Waarschijnlijk is het weefsel voor altijd aangetast.

Joeri loopt zelf met blote voeten op slippers en is in zijn T-shirt en joggingbroek dun gekleed. Buiten vriest het 13 graden, maar binnen brandt de verwarming volop.

Hij heeft deze week het opzicht over deze afdeling van het Huis van Noah, aan de noordrand van Moskou. Onder het project vallen in totaal twaalf woningen, met in totaal honderden daklozen. In dit huis, gevestigd tussen wat armoedige flatgebouwen, wonen 45 mensen: 40 mannen en 5 vrouwen. Het is een voormalige apotheek; de borden met Russisch opschrift hangen nog op allerlei plekken.

Een smalle gang deelt het gebouw vanaf de voordeur in tweeën. Aan weerszijden liggen kamers. De meeste zijn gevuld met stapelbedden. De bewoners hebben hier gratis kost en inwoning, maar privacy is er niet te koop.

Eigenlijk is het gebouw bedoeld voor twintig bewoners. Maar in een ander huis van Noah is onlangs brand geweest, en daarom is het inschikken geblazen.

Drugs

Zelf heeft Joeri ook op straat geleefd. Niet dat hij geen huis had, maar hij kon daar niet aarden en vluchtte in het straatleven.

Bij Noah beloven de bewoners dat ze geen drugs en alcohol gebruiken. Zodra mensen buiten zijn geweest en terugkomen, moeten ze eerst even blazen om de adem op alcohol te checken. Drugsgebruikers haalt Joeri er ook zo uit. Hij is een man met ervaring, zeg maar.

Hij slaat een kruis. Dat doet hij steeds als hij iets slechts over zichzelf zegt.

Het was God Die hem –via zijn biechtvader– tot de orde riep. „Die zei tegen mij: Je moet precies het tegenovergestelde doen van wat je nu doet. Zo begon ik te zien wie ik voor God was. Op mijn 34e ben ik voor het eerst gaan werken.”

Daarna groeide de behoefte om zich voor anderen in te zetten. „Toen Alexander Borisov mijn geestelijke vader werd, raakte ik bekend met Noah. Sindsdien ben ik hier actief.”

Zo slap als Joeri vroeger voor zichzelf was, zo streng moet hij nu zijn voor de bewoners. De regels van het huis zijn zeer strikt. Vloeken is evenzeer verboden als het gebruik van alcohol en drugs. Wie de regels overtreedt, krijgt straf. „Dat begint klein met het inhouden van zakgeld. Soms is het gepast om iemand een paar dagen af te zonderen van de groep. Als het te gek wordt, nemen we afscheid. Dan brengen we de persoon terug naar waar hij of zij vandaan komt. Ook als dat op een treinstation is. We kunnen gewoonweg niet het risico nemen dat iemand andere bewoners aansteekt met zijn verkeerde gedrag.”

Leegheid

De bewoners van anderen Noah-huizen gaan dagelijks naar de bouw of elders om daar een beetje geld te verdienen. Maar de bewoners van deze voormalige apotheek kunnen geen zwaar werk aan.

Toch is nietsdoen geen optie. In het Huis van Noah gelden de beginselen van de orthodoxe heilige St.-Johannes van Kronstadt (1829-1908). Joeri: „Die heeft gezegd dat je niet ijdel mag zijn. Als je lang niets doet, wordt die leegheid je levensstijl.”

Daarom zijn er ook hier allerlei bezigheden. Aan een tafel maken drie mensen werkstukken van klei; van potjes met druk versierde deksels tot een aapje dat leest in een boek waarop in het Russisch Darwin staat. „Dit wordt gebakken en in de winkel van een klooster verkocht.”

Joeri gaat voor naar de kelder. Beneden is een groep mannen en vrouwen bezig om van oude stofrepen matten te vlechten. Het is een toonbeeld van samenwerking. De een knipt de stof, een ander spant de repen op een raam en weer een ander weeft. Er ligt een forse stapel klaar om naar het klooster te worden gebracht.

Elke dag bij het ochtendgebed verdelen de bewoners onderling de vaste taken, zoals wie de deurwacht heeft. Die houdt bij wie er in- en uitgaat en moet ongewenst bezoek buiten houden.

Het ochtend- en avondgebed wordt geleid door Joeri, volgens de orde van de Russisch-Orthodoxe Kerk. „We gebruiken het officiële gebedenboek. Daarnaast lezen we ook in de Bijbel, en soms is er ruimte voor een vrij gebed.”

Illegaal

Een van de bewoners is Alexander Toertsjanenko. Hij was rond de veertig toen in 1990 het communisme instortte. De vrijheid lachte hem toe. Met een peuterdochter vertrok hij naar Amerika. In Californië en New York werkte hij meer dan vijftien jaar als taxi- en ambulancechauffeur. Totdat uitkwam dat hij illegaal was.

Vlak voor zijn dochter 18 werd, keerde hij terug naar Moskou. Maar daar viel hij in een gat. „Mijn flat was gestolen en mijn opgespaarde roebels waren niets meer waard.” Gelukkig wist zijn dochter wat geld te verdienen, maar die ging al snel weer terug naar de Verenigde Staten.

Even leek het goed te gaan. Hij werd chauffeur van een zakenman en woonde in het bedrijfsgebouw. Maar zijn baas ging met pensioen en zo kwam Toertsjanenko op straat.

Sinds een jaar woont hij in het Huis van Noah. Zwaar werk kan hij niet doen. „Ik heb eens geprobeerd hout te hakken, maar dat gaat me slecht af.”

Toertsjanenko vindt het moeilijk om zich aan te passen aan de regels. Ook heeft hij het gevoel dat de leiding hem niet waardeert.

Hij lacht. Van zijn gebit is weinig over. Zijn lange grijze haar heeft hij in een staartje gebonden.

Nog steeds heeft Toertsjanenko idealen. „Ik weet heel goed wat ik wil. Toch bereik ik niets. Ik zie alleen maar grijs.”

Toch heeft hij licht, zegt hij. „Maar dat komt van boven. We hebben hier een ochtend- en avondgebed. Tussendoor lees ik van alles, onder meer in de Bijbel. Dat geeft mij hoop.”

„Armen helpen is de natuur van de kerk”

Een doordeweekse winterdag in het centrum Moskou. De zon schijnt fel op het dak van het stadhuis. De sneeuw smelt, loopt naar beneden en verstijft buiten de warmte van de zon weer tot grote ijspegels.

Aan de overkant loopt het kleine kerkje van St.-Cosmas en Damianus vol. In de lijdenstijd voor Goede Vrijdag en Pasen zijn hier dagelijks diverse vieringen.

De priester, Alexander Borisov, rondt de liturgie af. In een hoek heffen drie vrouwen en een man een lied aan. Dat klinkt zeer sereen in de gewelfde en gewijde ruimte. Vader Alexander besluit de dienst door ieder die dat wil met een handoplegging te zegenen.

Borisov klimt de trap op naar zijn kantoortje. Op het kleine raam boven zijn bureau staan ijsbloemen. „Het is iets fris”, grapt de geestelijke.

Vijftien jaar lang organiseerde Borisov in de kerk een soort gaarkeuken. Afhankelijk van het seizoen kwamen hier 80 tot 600 mensen.

In 2013 ontving de kerk bericht van de overburen: het stadhuis vond dat het afgelopen moest zijn met die daklozen. Borisov: „Dit gebied werd voetgangerszone. De rijen daklozen zouden mensen afschrikken. Bovendien hadden omwonenden brieven gestuurd met de vraag wat die verslaafden hier toch altijd moesten.”

Pijnlijk vond hij het. Het helpen van allerzwaksten zit een christen in het bloed, zegt Borisov. „Dit komt uit het hart van het Evangelie.”

Veel tijd om te treuren had hij echter niet. Een lid van de gemeente ontdekte enkele lege gebouwen in de buurt van Moskou en kreeg het idee om daar daklozen in te laten wonen en hun zo veel meer te bieden dan eten en drinken. Dit project is uitgegroeid tot twaalf woningen die deel uitmaken van het Huis van Noah.

Naast bad, bed en brood biedt de kerk geestelijk voedsel. Borisov: „We spreken met deze mensen over het geloof. Of dat vrucht draagt? Ik geloof van wel. Er zijn voorbeelden van mensen die hun leven weer op het spoor hebben weten te krijgen.”

Borisov geniet ervan dat dit werk zo goed loopt. Tegelijk zijn er teleurstellingen. „Sommige bewoners vallen terug in verkeerde gewoonten. Ook is het gebeurd dat managers er met het geld vandoor zijn gegaan. Alle zonden die bestaan, concentreren zich in dit soort tehuizen.”

De Russisch-orthodoxe patriarch Kirill roept kerken uitdrukkelijk op om zich in te zetten voor de zelfkant van de samenleving. Vader Alexander wijst naar een foto waarop hij met de kerkleider staat. „De kerkleiding vraagt elke gemeente in het jaarverslag aan te geven wat ze aan barmhartigheid doet. Elke gemeente moet naast catechese en zondagsschool dus iets doen op sociaal vlak.”

De Russisch-Orthodoxe Kerk heeft alle eeuwen door trouwens nooit anders gedaan dan zich voor de armen inzetten, zegt Borisov. „Na de Novemberrevolutie in 1917 werd sociaal werk door de kerk al na een paar weken verboden. Maar zodra dit eind jaren tachtig weer mogelijk werd, zijn kerken er direct weer mee begonnen. Vanzelfsprekend, dit is immers de natuur van de kerk.”

Aanvankelijk had Borisov niet gedacht in dit werk terecht te komen. Tot 1972 werkte hij als geneticus in de wetenschap. „Maar toen dacht ik: vanuit de religie kan ik meer bijdragen dan vanuit de genetica. Toen ben ik naar het seminarium gegaan. Ik was toen 43.”

Sinds 1991 is hij priester in de kerk van St.-Cosmas en Damianus, tegenover het stadhuis en op vijf minuten lopen van het Kremlin. „Het enige incident dat ik met het stadhuis heb meegemaakt, was het verbod op de gaarkeuken in de kerk. Voor de rest heeft niemand mij hier ooit ook maar een strobreed in de weg gelegd.”