Christin uit Mosul dook onder bij moslimburen

Mosul. Rechts mevrouw Hana. beeld AFP

Een christelijke vrouw uit het Iraakse Mosul is 2,5 jaar ondergedoken bij een moslimgezin en zo uit handen gebleven van Islamitische Staat (IS). Na de bevrijding van de stad kan ze zich weer vrij op straat vertonen.

De 60-jarige Georgetta Hana woonde in de wijk Tel Keff, in het oostelijk deel van Mosul, toen IS in juni 2014 verscheen. Haar islamitische buren begrepen meteen dat de vrouw in acuut doodsgevaar verkeerde. Ze snelden naar haar woning, namen haar mee en deden vanaf toen alsof ze een familielid was. Op die manier boden ze Hana 2,5 jaar veiligheid – in de wetenschap dat ze zelf zouden worden onthoofd als IS hun geheim zou ontdekken.

Georgetta Hana droeg tijdens deze onderduikperiode een hoofddoek om de camouflage compleet te maken. Nadat de strijders van Islamitische Staat uit oostelijk Mosul waren verdreven, hadden de Iraakse autoriteiten aanvankelijk moeite het verhaal te geloven. Dat de christin twee jaar uit handen van IS had weten te blijven, was een wonder.

Een van de bewoners van de wijk Tel Keff zei tegenover Iraakse media „dat christenen en moslims in hun wijk altijd hadden samengeleefd. Toen de christenen door IS werden verdreven, konden wij niets doen. Want protest betekende een onmiddellijke dood. Georgetta Hana is slechts een van de christenen die door buren werden verborgen. Ze kon echter 2,5 jaar het huis van haar buren niet verlaten. Want dat zou vrijwel zeker een gewisse dood hebben betekend.”

Nu de wijk is bevrijd, kan Georgetta Hana zich weer vrij op straat bewegen. Dat kon ze zelf aanvankelijk nauwelijks geloven.

Nadat Duitsland in 1945 bevrijd was, bleek dat moedige Duitsers met gevaar voor eigen leven Joden in het geheim verborgen hadden gehouden. Gelijksoortige verhalen duiken op in Mosul, nu het Iraakse leger IS uit het oostelijk gedeelte heeft verdreven.

Als gevolg van de zware gevechten zijn grote delen van oostelijk Mosul in puin veranderd. In juni 2014 haalden de zwaar geplaagde christenen van Mosul plotseling er het internationale nieuws nadat foto’s verschenen waarop te zien was hoe leden van IS ’s nachts de huizen en winkels van christenen hadden beklad met de letter N van ”nasari” (het Arabische woord voor christen). Het had dezelfde sinistere betekenis als de davidsster die de nazi’s in 1937 aanbrachten op huizen van Duitse Joden.

De wereld keek machteloos toe toen in juni 2014 zo’n 30.000 christenen hals over kop Mosul moesten ontvluchten. Hun exodus vormde echter slechts het voorlopige eindpunt van een jarenlange lijdensweg. Voor de Amerikaanse invasie van Irak in 2003 werd de christelijke gemeenschap in Mosul op bijna 100.000 geschat. Op 15 oktober 2006 had al-Qaida in Irak de Islamitische Staat in Irak (ISI) opgericht en Mosul zou de officieuze hoofdstad van deze staat worden. Abu Mohammed al-Jolani, die later berucht werd als leider van het Syrische Jabhat al-Nusra, was in deze jaren de ‘gouverneur’ van Islamitische Staat in Mosul.

Het was een terreurstaat, die in Mosul mede kon gedijen door de onachtzaamheid van de Verenigde Staten, die ten onrechte beweerden dat al-Qaida in Irak verslagen was. De christenen in Mosul werden in deze jaren voortdurend het slachtoffer van ISI.

Ontvoeringen om losgeld waren aan de orde van de dag, omdat ISI ervan uitging dat alle christenen rijk waren. Priesters en religieuzen waren hun leven niet zeker, met als triest dieptepunt de moord op Faraj Rahho maart 2008.

Rahho, de Chaldeeuwse aartsbisschop van Mosul, werd door ISI ontvoerd en er werd vervolgens een hoge losprijs gevraagd. Deze werd weliswaar betaald, maar de aartsbisschop werd alsnog dood teruggevonden. ISI leek erop uit te zijn de christenen te ontmoedigen door hun geestelijke leiders te vermoorden en een kudde zonder herders te creëren.