Aangevochten bevrijding in Shangri-La

Christenen in China
Straatbeeld van het toeristische centrum van Shangri-La. Boven de straat de typisch boeddhistische gebedsvlaggen. Foto RD van het toeristische centrum van Shangri-La. Boven de straat de typisch boeddhistische gebedsvlaggen. Foto RD
4

Kwetsbaar is de prille christelijke gemeente van Tibetanen in Shangri-La. Vanwege de autoriteiten die hen in de gaten houden. Maar vooral ook door de occulte geestelijke machten die gemeenteleden van binnenuit belagen. Waardoor een miskraam nooit enkel een medisch drama is.

Wie denkt dat Nederland het monopolie heeft op natte koele zomers, die moet naar de Tibetaanse hoogvlakte gaan. Naar Shangri-La bijvoorbeeld, waar inwoners en toeristen op ruim 3000 meter hoogte ’s zomers verregenen en koukleumen.

De zomer, de tijd dat toeristen de stad en omgeving aandoen, is daar de regentijd en de kans dat de imposante bergpieken van de Himalaya er in een dik wolkendek zijn gehuld, is dan groot.

Zonnig maar bitterkoud zijn herfst en winter en Tibetanen die het zich kunnen veroorloven maken van die combinatie –een zonnige wintertijd– optimaal gebruik in hun huizen. Overal zijn ze in Shangri-La te zien: huizen en kantoorgebouwen met glazen aanbouwsels, die als opgeblazen kauwgum uit de ramen en deuren hangen. In de winter fungeren ze als kassen die het hele huis helpen warm te houden.

Over klimaat gesproken. Shangri-La en de dorpen eromheen liggen weliswaar op de Tibetaanse hoogvlakte –om precies te zijn: aan de oostrand ervan– de sfeer is er heel anders dan in Lhasa, het hart van de Tibetaanse regio, zeggen insiders. Dat komt omdat de Tibetanen van Shangri-La tot de provincie Yunnan behoren, en daardoor een van de vele etnische groepen zijn die deze provincie telt. Ook Shangri-La zelf is een etnische en culturele mengelmoes.

Romantisch

Vóór 2001 kende niemand nog Shangri-La, terwijl de plaats wél bestond, maar toen nog Zhongdian heette. Om toeristen te trekken is Shangri-La –paradijselijke vallei– op de stad geplakt en sindsdien hangt er dezelfde romantische sfeer die de Britse schrijver James Hilton er in 1933 aan koppelde, toe hij in zijn boek ”Lost Horizon” Shangri-La wereldberoemd maakte. Overigens heeft het even geduurd voordat Zhongdian zich Shangri-La mocht noemen, want zeker vier andere steden in de regio wilden ook wel wat meer romantiek binnen hun muren.

Intussen krijgt degene die zijn oor wat meer te luisteren legt bij de Tibetaanse bewoners, allesbehalve romantische gevoelens, en dat houdt verband met het occulte karakter van het Tibetaanse boeddhisme, de belangrijkste godsdienst.

Mensen maken zich hier nog altijd meer zorgen over lokale goden in de bergen en in de rivieren, dan om hun wedergeboorte volgens boeddhistische snit, zegt een inwoner. Het oeroude animisme dat hier de harten en hoofden bezighoudt staat bekend als ”bön”. Het ontstond rond de zevende eeuw en was daarmee het Tibetaanse boeddhisme voor, want dat kwam halverwege de achtste eeuw vanuit India naar Tibet.

In deze wereld van goden en afgoden, van occultisme en bijgeloof heeft het christelijk geloof voorzichtig wortel geschoten. Shangri-La telt vandaag de dag twee huisgemeenten, een Tibetaans- en een Chineestalige. De gemeenten tellen tussen de twintig en vijftig leden. De officiële staatskerk –bekend als de Drie-Zelfbeweging– is hier overigens afwezig.

Geestelijke honger

Vergeleken met andere Tibetaanse gebieden is hier meer geestelijke honger, aldus een inwoner van Shangri-La. „Mensen keren zich er sneller af van de boeddhistische kloosters die hier bolwerken van materialisme en decadentie zijn geworden. Die teleurstelling in het boeddhisme maakt hen ontvankelijker voor iets nieuws.”

Hij noemt als voorbeeld de ervaringen van een vriendin die als caféhouder regelmatig werd geconfronteerd met monniken die vertrokken zonder te betalen, of die alcohol kwamen drinken terwijl ze dat als monnik helemaal niet mogen doen.

Toen de vrouw op een dag haar telefoon had verloren en een christen uit Singapore het toestel bij haar kwam terugbrengen zonder daar iets voor te vragen bij wijze van tegenprestatie, was het voor haar zonneklaar dat niet het boeddhisme, maar het christelijk geloof navolging waard was. Sindsdien is ze een vaste bezoeker van de diensten.

De meeste bekeringen tot het christelijk geloof voltrekken zich echter via medische hulpverlening. Zo zitten er in de huisgemeenten nogal wat mensen die van ingrijpende ziekten en kwalen zijn genezen, of in ieder geval verder zijn geholpen.

Van dagelijkse omgang met niet-christenen gaat ook een sprake uit, ervaren veel christenen. „Waarom scheldt u mij niet uit als ik iets fout heb gedaan? Dat doen Chinese bazen altijd”, vroeg een vrouwelijke werknemer aan haar baas, die christen was.

Kwetsbaar

Intussen zijn de Tibetaanse christenen buitengewoon kwetsbaar in hun nieuwe situatie, en dat geldt ook voor de gemeente als geheel. Op vier terreinen komt dat naar voren.

In de eerste plaats zijn daar de autoriteiten die de niet-geregistreerde huisgemeenten weliswaar gedogen, maar soms heel grillig laten merken dat zij de touwtjes in handen hebben. „Dan staat de politie onverwachts te posten bij de ingang en moet iedereen zijn of haar identiteitskaart tonen”, aldus een ooggetuige. Wat daar dan achter steekt en of er aanleiding toe was, blijft vaak duister. Wel is duidelijk dat zolang deze kerken kleine huisgemeenten blijven en de leden zich niet met politiek bemoeien, ze ongemoeid blijven. Ook nadrukkelijk of opzichtig evangeliseren en nieuwe leden werven is uit den boze.

De huisgemeenten worden ook van binnenuit bedreigd. Dat wordt duidelijk uit het verhaal van een tot geloof gekomen Tibetaan die zich beklaagt over iets wat lijkt op een charismatische obsessie in zijn gemeente, met de dwang tot het praktiseren van tongentaal als de meest extreme uitwas. Hij is ervan overtuigd dat meerderen in zijn gemeente deze koers verfoeien, maar niet tegen de –volgens hem– autoritaire voorganger durven in te gaan. Zelf weigert hij nog langer de diensten te bezoeken, en beluistert hij in plaats daarvan preken via internet.

Geest van vader

En dan is er nog kwetsbaarheid vanwege het occulte verleden van veel christenen.

Nadat de vader van een jonge christin was overleden, bezocht haar broer –geheel volgens gewoonte– een van de vele waarzeggers in de stad. Die deelde hem mee dat de geest van zijn vader „voor de helft was ingedaald in de berghut waar hij altijd vertoefde als hij bij zijn kudde yaks was.” Hij gaf zelfs precies de plaats van die geest aan. „Een plastic tas waar de oorbellen van je moeder inzitten.” De broer schrok hevig, want die tas bleek daar inderdaad te staan. Nóg schokkender was wat volgde. De andere helft van de geest, zo liet de waarzegger weten, was bij iemand die de vader intens lief had gehad en die geboren is in het jaar van de hond. Dat bleek zijn dochter te zijn, die christen was geworden. Grote onrust maakte zich van de vrouw meester, vooral toen ze vlak daarna een miskraam kreeg. Leek dat haar bezetenheid niet te bevestigen?

Kwetsbaarheid is er ten slotte ook vanwege de verwevenheid van de Tibetaanse nationaliteit met het Tibetaans boeddhisme. Wie dat laatste afzweert en christen wordt, die pleegt verraad aan zijn vaderland, zo wordt christenen wel verweten, en het is een verwijt dat diep raakt. Zo zegt een Tibetaan die sinds twee jaar christen is, dat hij in zijn dorp wordt genegeerd. „Ze beschouwen me daar niet meer als een landgenoot.” Zelf ziet hij dat nadrukkelijk anders, want voor hem is de taal de essentie van zijn Tibetaan-zijn.

De jongeman mijdt zijn geboortedorp zo veel mogelijk, om maar niet met de vijandige opvattingen van zijn familie en dorpsgenoten geconfronteerd te worden. De eenzaamheid die dat tot gevolg heeft, hoopt hij te compenseren met contacten in zijn gemeente.

Dit is het laatste deel in een driedelige serie over christenen in China.


Shelly zocht de dood, vond het leven

Bekering tot het christelijk geloof gaat vaak via de medische weg. Dat geldt in het bijzonder voor Shelly, die als 19-jarige verlamd raakte aan haar benen.

We ontmoeten haar in het ouderlijk huis, een rokerig onderkomen, waar een smeulend vuur een mistige kilte buiten de deur houdt. De goedlachse Shelly schenkt yakmelkthee in en serveert varkensspek, yakkaas en aardappelschijfjes.

Tibetanen staan niet bekend om hun gezonde leefstijl. Ze kieperen ladingen smaakversterkers in hun eten en tobben daardoor collectief met maagzweren. Ook hoge bloeddruk is er een algemene kwaal en dat is niet voor niets. Vet eten, roken en drinken zijn enkele van de slechte eet- en drinkgewoonten die veel Tibetanen tot vaste klant bij de arts maken.

Shelly was 19, getrouwd en moeder van een kind, toen ze door een 2-jarig jongetje per ongeluk in haar rug werd geschoten en verlamd raakte aan haar benen. Het ongeluk zette haar leven volledig op zijn kop. Haar man nam de benen en nam hun kind mee. Zij bleef alleen en als wrak achter, niet meer in staat om te lopen en enkel nog goed om in een achterafkamertje bij haar ouders, liggend op een bed, de dagen en nachten door te komen. Van medische hulp was geen sprake en zodoende lag ze daar maar, vijf jaar lang, zonder uitzicht op verbetering.

Brief

Een brief gericht aan een arts uit Kunming maakte alles anders. Daarin vroeg ze hem te helpen een eind aan haar leven te maken, dat had immers geen enkel perspectief meer.

De arts kwam naar haar toe, maar niet om een leven te beëindigen. „Ik neem je mee naar een ziekenhuis in Kunming (hoofdstad van de provincie Yunnan) en ik zal je leven weer de moeite waard maken”, zei hij.

Over de periode dat ze in Kunming verbleef kan Shelly alleen maar stralend vertellen. „Daar ervoer ik zo veel liefde om me heen”, zegt ze, „zoiets had ik nog nooit meegemaakt, zeker niet als gehandicapte, want dan ben je enkel een bron van schaamte voor je familie.”

Shelly maakte er in het ziekenhuis op indringende wijze kennis met christenen. „Zingende gehandicapten zag ik er, dat had ik nog nooit gezien.” Ze werd geopereerd en kreeg een rolstoel om weer actief aan de samenleving te kunnen deelnemen. Lopen zou ze nooit meer kunnen, en dat was best even slikken.

Wat haar leven echt ingrijpend veranderde was haar bekering tot het christelijk geloof, daarbij aan de hand genomen door christenen uit Kunming en later uit Shangri-La.

Wie nu deze stralende jonge vrouw ziet, kan niet geloven dat ze ooit een hoopje ellende was, hunkerend naar de dood.

Ook haar familie heeft deze gedaanteverandering niet onberoerd gelaten; een aantal van hen is tot geloof gekomen.

Samen bidden

Maar christen zijn in een geïsoleerd dorp in de bergen, waar het boeddhisme en animisme de dienst uitmaken, dat valt niet mee. Er wordt op hen neergekeken, vooral als ze weer eens weigeren mee te doen met allerlei rituelen.

„Met nieuwjaar gaan ze hier met z’n allen de bergen in om allerlei rituele handelingen te verrichten; wij blijven dan thuis en bidden samen. Is iemand overleden, dan worden de buren uitgenodigd om oude heidense teksten te citeren, maar ook dat doen we niet meer.” Het wordt hun niet in dank afgenomen.

Voor Shelly weegt dat allemaal niet op tegen het nieuwe leven dat ze heeft gevonden, lichamelijk én geestelijk.