Ze’ev Bar overleefde oorlog als onderduiker

Ze'ev Bar. beeld Arjan Wendt, CvI Arjan Wendt, CvI

NIJKERK. „Als ik toch wist dat hier ergens Joden waren...”, zei de boer in Ermelo tijdens de maaltijd. Walter Bartfeld en zijn familieleden zwegen en aten door. De boer mocht niet weten dat hij Joodse onderduikers onder zijn dak had.

Vier bejaarde vrouwen – dinsdag tijdens de Auschwitzherdenking van Christenen voor Israël in Nijkerk– houden de adem in; bewegen gespannen heen en weer. Wat maakten ze zelf mee?

Ze’ev Bar –die vroeger Walter Bartfeld heette– maakte véél mee. Vier oorlogen! Eén in Nederland, drie in Israël. Maar die eerste... „De Tweede Wereldoorlog is elke dag, elke minuut in mijn gedachten.” Hij overleefde. Ondanks de Ermelose boer. „Vandaag ben ik een beetje gelukkig. Ik ben 83 geweest.” En twee kleindochters gaan in zijn voetsporen: ze studeren biologie aan de Vrije Universiteit in Amsterdam. „Maar mijn blijdschap blijft altijd een beetje begrensd.” De oorlog liet zijn sporen na.

De boer die van de Joden een afkeer had, heeft wellicht toch wat vermoed. „Waarom gaan jullie niet het dorp in?” Om geen argwaan te wekken ging vader Bartfeld met zijn zoontje naar de Dorpsstraat. Ze keken zo veel mogelijk door de winkelruiten; dan zag niemand op straat hun gezicht. Totdat vader zich lijkbleek omdraaide: een van zijn vroegere klanten fietste voorbij. Herkend!

Dat bleek echter hun redding: de klant kwam terugfietsen en liet een propje papier vallen waarop ze hulp aanbood. Haar adres stond erop. Kort daarna moest het gezin Bartfeld er gebruik van maken: bij de boer was het niet veilig meer en ze liepen naar Harderwijk. Naar het zoveelste onderduikadres.

Vluchtelingen waren ze al zo lang. In het Duitse Zwickau waren hun woning en winkel afgenomen. In 1937 zaten ze in de trein naar Den Haag, elke seconde vrezend er door de Gestapo uitgehaald te worden. Ook in Den Haag kwamen de Duitsers. Ook daar werden woning en winkel afgepakt. Zo kwamen ze in Nunspeet terecht. Walter had er als kind „een heerlijke tijd.”

Maar veilig was het nergens. Vader Bartfeld kocht een woonwagen en verstopte die in het bos. Toen de dag kwam dat het gezin op transport gesteld zou worden naar Kamp Westerbork, liepen ze van hun huis in Nunspeet naar hun woonwagen.

Bijna ontdekt

Daar waren ze veilig totdat boven hen „een geallieerd vliegtuig uit elkaar spatte.” De Duitsers kwamen de brokstukken zoeken, dicht bij de woonwagen, maar helpers wisten de onderduikers ongezien naar Epe te loodsen.

Daar zaten ze in een huis dat onbewoond moest lijken. Zeventien Joden woonden er, maar niemand mocht het weten. Alleen fluisteren was toegestaan.

En toen ging de telefoon. Grote schrik. Een vrouw nam op en hoorde een stem die gejaagd zei: „Loop nu het huis uit. Jullie zijn verraden.” Ze verstopten zich in een tegenoverliggend heideveld. Elfjarige Walter lag er met een revolver in de aanslag. Enkele minuten later arriveerde de SD. Die vond niets.

Verscholen Dorp

Goede vaderlanders bouwden hutten in de bossen bij Vierhouten, in wat later Het Verscholen Dorp werd genoemd. Ze’ev Bar denkt dat hij „nog de enige ter wereld is die er van het begin tot het laatst heeft gezeten.” Bijna anderhalf jaar, totdat het kamp ijlings ontruimd moest worden vanwege een Duitse zoekactie. Er vielen 8 slachtoffers; de andere 78 bewoners ontkwamen.

Het gezin Bartfeld kwam in Ermelo terecht. De Veluwe zat vol vluchtelingen uit de regio Arnhem, dus er was geen veilig onderduikadres te vinden. Daarom kwamen ze –met valse papieren– bij een boer die niet mocht weten dat ze Joden waren. „We hadden het er vreselijk.”

Na Harderwijk werd Zwolle de laatste onderduikplek. Daar stond Walter op 14 april 1945 op straat toen hij Canadese soldaten dichterbij zag sluipen. Hij rende naar de voorste militair toe en riep in het Engels: „Ik ben een Joods kind!” „Ik ook”, zei de soldaat.

Met de Bevrijding was het oorlogsleed niet achter de rug. „Ik vocht me door de hbs heen.” De leraren hielden er geen rekening mee dat hij jaren niet naar school was geweest. Praten over de oorlog deed Walter lange tijd niet. Nu wel. „Mijn blijdschap blijft altijd een beetje begrensd.”