Werken aan zelfstandige terugkeer

Uitgeprocedeerde asielzoekers
„We houden de asielzoeker een reëel beeld voor. De praktijk is dat het grootste Deel van de asielaanvragen wordt afgewezen.” Foto EPA voor. De praktijk is dat het grootste Deel van de asielaanvragen wordt afgewezen.” Foto EPA
2

Ze dromen allemaal van een nieuwe toekomst in Nederland. In de praktijk is die slechts voor zo’n 20 procent van de asielzoekers weggelegd. De Dienst Terugkeer(&(Vertrek (DT(&(V) wijst aanvragers van een verblijfsvergunning daarom tijdig op de reële mogelijkheid dat ze uiteindelijk het land moeten verlaten. „Ons hoogste doel is gecontroleerd, zelfstandig vertrek als een asielaanvraag definitief is afgewezen.”

Het kwam regelmatig voor. Na jarenlang procederen, waarbij ze zich aan elke strohalm vastklampten, kregen asielzoekers uiteindelijk het finale ”nee” te horen op hun verzoek om een verblijfsvergunning. Inmiddels waren ze al behoorlijk geïntegreerd. De gedachte aan een eventuele terugkeer naar hun vaderland hadden ze al die tijd verdrongen. Aan het eind van het traject bleek het vaak niet eenvoudig hen tot daadwerkelijk vertrek uit Nederland te bewegen.

Als het aan R. Roodzant ligt is deze gang van zaken voorgoed verleden tijd. Hij is directeur van de directie ”voorbereiden vertrek”, een van de drie onderdelen van DT(&(V, dat onder het ministerie van Justitie valt. De dienst komt in actie zodra een asielzoeker de eerste afwijzing heeft gekregen en van een oriëntatiecentrum naar een terugkeerlocatie verhuist. Ook al loopt er dan in veel gevallen nog een beroepsprocedure.

„Het is nadrukkelijk niet de bedoeling om de asielzoeker de rechtsmiddelen die er zijn uit het hoofd te praten”, zegt manager Th. A. Meijboom op zijn werkkamer in het regiokantoor in Den Bosch. „Maar we houden de asielzoeker wel een reëel beeld voor. De praktijk is dat het grootste deel van de asielaanvragen wordt afgewezen. Houd er dus rekening mee dat de beroepsprocedure kan uitlopen op een definitief nee. Denk er nu al over na wat je dan nodig hebt om te kunnen terugkeren. We willen het kompas in een zo vroeg mogelijk stadium op terugkeer richten.”

Een persoonsgerichte benadering moet ertoe leiden dat meer afgewezen asielzoekers zelfstandig het land verlaten. Vorig jaar werd de nieuwe werkwijze stapsgewijs landelijk ingevoerd. Eerder was er al ervaring mee opgedaan bij het project van de 26.000 asielzoekers die (ver) voor 2001 naar Nederland waren gekomen en in 2004 nog geen definitief antwoord hadden op hun aanvraag of Nederland ondanks een afwijzing nog niet hadden verlaten.

Terugkeeroverleg

Belangrijk onderdeel van de nieuwe aanpak is een betere samenwerking tussen diverse betrokken instanties, waaronder het Centraal orgaan Opvang Asielzoekers (COA) en de vreemdelingenpolitie. Roodzant: „We hebben het lokaal terugkeeroverleg opgezet. Zodra we van de IND een dossier binnenkrijgen van een asielzoeker die een negatieve beschikking heeft gekregen, gaan we als DT(&(V in gesprek met het COA en de vreemdelingenpolitie. Eerst brengen we de situatie goed in beeld. Gaat het bijvoorbeeld om een 23-jarige gezonde man of om een gezin waarvan iemand ziek is? Dat maakt nogal verschil voor de vervolgstappen die je moet zetten. Aan de hand van de concrete situatie spreken we een traject af.”

Dat traject hoeft niet in alle gevallen tot een vertrek van de uitgeprocedeerde asielzoeker uit Nederland te leiden. Meijboom: „Vroeger was de benadering vooral juridisch. De rechter heeft de zaak getoetst en in de beslissing zijn alle relevante aspecten meegewogen. Daar gaan we nog steeds van uit, maar intussen hebben we bij onze medewerkers ook een antenne ontwikkeld voor eventuele veranderde omstandigheden die zich hebben voorgedaan sinds de laatste beslissing of uitspraak van de rechter.”

Meijboom noemt als voorbeeld een echtpaar waarvan het asielverzoek is afgewezen. „Inmiddels is de man overleden. De vrouw blijft alleen achter en heeft in eigen land geen sociaal vangnet. Dat kan ertoe leiden dat wordt getoetst of iemand op basis van schrijnendheid toch in Nederland mag blijven. Gemiddeld komt dat een paar keer per maand voor.”

Belangrijke pijler van de nieuwe werkwijze is de samenwerking met gemeenten. Roodzant: „Als wij met een vreemdeling in gesprek gaan, informeren we standaard de gemeente waar deze verblijft. Die kan deelnemen aan het lokaal terugkeeroverleg. In de praktijk gebeurt dat ook. Het gaat soms om vreemdelingen die in een gemeentelijke woning zitten. De gemeente heeft informatie over hun sociale achtergrond. Het is van belang dat we over en weer goed geïnformeerd zijn.”

Roodzant weerspreekt berichten in de media dat veel gemeenten niet zouden willen meewerken aan vertrekprocedures. Meijboom vult aan dat het om een groeiproces gaat. „We zijn druk bezig draagvlak te creëren voor onze aanpak. Sommige gemeenten waren in het begin argwanend. Ze waren bang dat inwoners van hun stad meteen zouden worden opgepakt en opgesloten in een detentiecentrum. Het overleg dat we voeren wekt echter vertrouwen.”

Op straat

In het gunstigste geval werkt een asielzoeker mee aan zelfstandig vertrek en verlaat deze na verloop van tijd Nederland. Een beperkt aantal uitgeprocedeerde asielzoekers blijkt ondanks zijn medewerking niet aan de benodigde reisdocumenten te kunnen komen, omdat bijvoorbeeld de ambassade van het land van herkomst niet meewerkt. Zij kunnen aan het eind van het traject alsnog een verblijfsvergunning krijgen op grond van het zogenaamde buitenschuldcriterium.

Een andere groep blijkt niet te motiveren om aan de voorbereidingen voor zelfstandig vertrek mee te werken. „We blijven afhankelijk van de medewerking van de vreemdeling”, stelt Roodzant. „Ons hoogste doel is gecontroleerd, zelfstandig vertrek. Als een vreemdeling daaraan onvoldoende meewerkt kan hij in de vrijheidsbenemende locatie in Vlagtwedde worden geplaatst, een centrum dat volledig gericht is op het werken aan terugkeer en waar een dagelijkse meldplicht geldt. Als de uitzetting ernstig wordt gefrustreerd, kan de vreemdeling in bewaring worden genomen. In het huis van bewaring wordt dan gewerkt aan het daadwerkelijke vertrek van betrokkene.”

Vanaf dat moment onttrekt de asielzoeker zich aan het oog van Roodzant en zijn medewerkers. De uitgeprocedeerde asielzoeker valt niet langer onder de unit ”voorbereiden vertrek”, maar wordt aan de unit bewaring overgedragen, een ander onderdeel van DT(&(V. Ook dan is het daadwerkelijke vertrek uit Nederland echter niet verzekerd.

„Als een vreemdeling categorisch alle medewerking weigert, ons identiteitsonderzoek tot niets leidt en hij daardoor dus geen reispapieren kan krijgen, beëindigen we de voorzieningen. Dat betekent dat de persoon op straat belandt”, aldus Roodzant. De afgewezen asielzoeker krijgt daarbij de aanzegging Nederland te verlaten, maar kan ook kiezen voor een verblijf in de illegaliteit. Totdat hij op een dag bij een politiecontrole tegen de lamp loopt en via een ander kanaal opnieuw in de molen van DT(&(V belandt.


„Knop omzetten is lastige klus”


Het zijn meer dan eens moeizame en emotionele gesprekken die Aart Beenen met asielzoekers voert. Als ”regievoerder vertrek” heeft hij de taak hen na een eerste afwijzing voor te bereiden op een eventueel noodzakelijk vertrek. „De knop moet om. Dat is het moeilijkste in dit werk. En tegelijk ligt daar de grootste uitdaging.”

In het verleden werkte Beenen bij de Immigratie en Naturalisatiedienst (IND), de organisatie die beslissingen over asielaanvragen neemt. Sinds begin vorig jaar bekleedt hij bij de nieuwe Dienst Terugkeer&Vertrek (DT&V) van het ministerie van Justitie de functie van senior regievoerder vertrek. In het asielzoekerscentrum in Sweikhuizen is hij verantwoordelijk voor gesprekken met asielzoekers over terugkeer naar het land van herkomst.

In het Limburgse azc –een terugkeerlocatie– verblijven zo’n 140 asielzoekers, van wie de asielaanvraag in eerste instantie is afgewezen. Beenen ontmoet er mensen van uiteenlopende nationaliteiten, zoals Afghanen, Angolezen, Sudanezen, Chinezen en Armeniërs. De meesten hebben nog een beroepsprocedure lopen. „Het is niet mijn bedoeling hen de hoop op een permanent verblijf in Nederland te ontnemen”, zegt Beenen. „Maar ik houd hen wel voor dat ze er ook serieus rekening mee moeten houden dat hun beroep ongegrond wordt verklaard.”

Als een definitieve afwijzing volgt, heeft een asielzoeker 28 dagen om Nederland te verlaten. „Dat is een korte termijn. Het is daarom nodig ruim voor de uitspraak bekend is actie te ondernemen om een goed georganiseerde terugkeer mogelijk te maken. Dat kan betekenen: contact zoeken met familieleden in het land van herkomst of met de ambassade om aan documenten te komen die nodig zijn om te kunnen terugkeren.”

Het valt vaak niet mee om asielzoekers die al hun hoop hebben gevestigd op een nieuwe toekomst in Nederland te laten nadenken over terugkeer, erkent Beenen. „De reacties zijn heel verschillend. Een alleenstaande man uit Armenië is in een andere positie dan een gezin met kleine kinderen uit Iran. Gezinnen staan vaak meer open voor het nadenken over terugkeer dan alleenstaanden. Die laatsten zien illegaliteit eerder als optie.”

In de gesprekken legt Beenen alle mogelijkheden op tafel. „Terugkeer naar het land van herkomst, doormigratie naar een ander land of een verblijf in de illegaliteit. Als het om dat laatste gaat, zeg ik: Is dat nu echt een oplossing? Mensen zijn vaak maar half geïnformeerd over wat leven in illegaliteit inhoudt. Ze hebben er een te rooskleurig beeld van.”

Beenen ziet het als zijn taak de diverse opties in een breder kader te plaatsen. „We kiezen voor een persoonsgerichte benadering. Mensen staan op een belangrijk kruispunt. De belangrijkste vraag is: wat willen ze met hun leven? Soms zijn er mogelijkheden om asielzoekers te helpen aan hun toekomstperspectief te werken. Stichting Wereldwijd bijvoorbeeld leidt asielzoekers op en kan hen gereedschap meegeven naar het land van herkomst, zodat ze niet met lege handen aankomen en concreet aan de slag kunnen.”
De benadering van de regievoerder vertrek staat vaak op gespannen voet met die van advocaten en hulpverleners, merkt Beenen. „Zij zien soms nog ergens een mogelijkheid om een nieuwe aanvraag voor een verblijfsvergunning in te dienen. Daar kun je veel tijd en energie in stoppen, terwijl de kans maar heel klein is dat die het gewenste resultaat oplevert. Als mensen het almaar voor zich uit blijven schuiven om aan terugkeer te denken, wordt het probleem uiteindelijk alleen maar groter.”

Beenen vindt het moeilijkste in zijn werk asielzoekers zo ver te krijgen dat de knop omgaat en terugkeer daadwerkelijk in beeld komt. Tijdens de gesprekken daarover doen zich meer dan eens emotionele taferelen voor. Logisch, vindt de regievoerder. „Iedereen is naar Nederland gekomen met de hoop hier te kunnen blijven. Dan is het lastig als je over terugkeer moet gaan praten. Mensen moeten aan dat idee wennen. Dat begrijp ik goed. Soms moet het gesprek ook even stilvallen om ruimte te kunnen geven aan de emoties die dat oproept.”

Goede voorlichting over de stappen die nodig zijn om terugkeer voor te bereiden, betekent niet automatisch dat asielzoekers daarmee aan de slag gaan. „Er zijn mensen die weigeren iets te doen. Als ze niet meewerken aan een zelfstandig vertrek kan een traject van vreemdelingenbewaring volgen. Soms helpt het als mensen daardoor ervaren dat de druk groter wordt en werken ze alsnog mee. In andere gevallen volgt uiteindelijk een gedwongen uitzetting.”

Beenen heeft niet het idee dat zijn missie is mislukt als hij er niet in slaagt mensen tot zelfstandige terugkeer te bewegen. „Ik geef inhoud aan de verantwoordelijkheid van de overheid om mensen goed te informeren en hun terugkeer zo mogelijk te faciliteren. Als iemand consequent elke deur die openstaat dichtgooit, is dat zijn keus. De verantwoordelijkheid ligt bij de mensen zelf.”