Waarom de 21-jarige Bob in het verzet zat

Begrafenisstoet in de Kerkstraat te Makkum, voorafgaand aan de herbegrafenis van zes verzetsmensen, onder wie Bob Dijkstra (BS). De rijmprent bij de foto sprak over „vrienden die op den 7de April 1945 door den vijand werden gemarteld en vermoord.” beeld Verzetsmuseum Amsterdam
4

„Vooral omdat ik een christen geloof te zijn en tracht te zijn, heb ik de moed gevonden om deze stap te doen.” Het was voor Hobbes Dijkstra (1923-1945) de drijfveer om tijdens de Tweede Wereldoorlog in het verzet te gaan. Hij is een van de slachtoffers die deze week worden herdacht.

In 2018, het Jaar van Verzet, duikt telkens weer die ene vraag op: Waarom kwamen mensen in verzet? Wat dreef hen? Het antwoord is niet eenduidig. Het verzet was geen monolithisch blok van gelijkgezinden.

Dit verhaal gaat over het verzetsmotief van de 21-jarige gereformeerde student en verzetsstrijder Hobbes (Bob) Dijkstra. In 1944 schrijft hij een brief aan zijn ouders. Het is een afscheidsbrief die zijn familie alleen zal ontvangen als hij de oorlog niet overleeft. Hij schrijft wat hij hun dan niet meer kan vertellen: waarom hij actief is in het verzet. Dit doet hij vijf maanden voordat hij op 7 april 1945, kort voor de Bevrijding, achter de marechausseekazerne in het Friese Makkum door de Sicherheitspolizei wordt geëxecuteerd.

Universiteit dicht

Bob Dijkstra wordt op 4 september 1923 geboren in Rotterdam. Zijn vader is onderwijzer en tijdens de oorlog hoofd van de school met de Bijbel in het Groningse Bellingwolde.

In 1941 begint Bob als student scheikunde aan de Vrije Universiteit (VU) in Amsterdam. Van een geregelde studie kan geen sprake meer zijn door de toenemende bemoeienis van de Duitse bezetter met de universiteiten. In november 1940 moet het Joodse personeel ontslagen worden. Joodse studenten worden meer en meer uitgesloten. Protesten van studenten in Delft en Leiden tegen het ontslag van de Joodse professoren leidt tot sluiting van de universiteiten in beide steden.

Er breekt een periode aan van toenemende confrontatie met de bezetter. Als er op 5 februari 1943 een aanslag gepleegd wordt op oud-generaal Seyffardt, de leider van het Nederlandse Legioen aan het Oostfront, worden er bij razzia’s in universiteiten en hogescholen in het westen van het land honderden studenten opgepakt. Onder hen ook zeventig studenten van de VU. Bob Dijkstra is een van hen. Zij worden gevangengezet in het concentratiekamp Vught. Op 16 maart komen ze vrij.

Alle studenten worden daarna verplicht de loyaliteitsverklaring te tekenen, waarin zij verklaren geen verzet te zullen plegen. Wie weigert, zal worden gedwongen tot werken in Duitsland. Deze maatregel is aanleiding voor de VU om op 13 april de universiteit te sluiten.

Dijkstra vertrekt uit Amsterdam en gaat bij zijn ouders in Bellingwolde wonen. Kort daarop, waarschijnlijk in mei 1943, duikt hij onder in het Friese Makkum. Daar zal hij vooral actief worden in de Landelijke Organisatie voor hulp aan onderduikers (LO) en vanaf september 1944 in de Binnenlandse Strijdkrachten (BS).

Modern heidendom

De LO ontstaat in oktober 1942 na een ontmoeting tussen ds. F. Slomp, de gereformeerde predikant uit het Overijsselse grensdorp Heemse, en de Winterswijkse huisvrouw Helena Kuipers-Rietberg. Ds. Slomp, bekend als Frits de Zwerver, is al sinds de machtsovername door Hitler in januari 1933 een fel tegenstander van het nationaalsocialisme. Hij volgt de ontwikkelingen over de grens nauwlettend en geeft in preken en openbare optredens voortdurend blijk van zijn afkeer van deze ideologie, die streeft naar de absolute macht in de staat en een ”raszuivere” samenleving.

Christenen mogen aan dit moderne heidendom niet meedoen, zij moeten zich daartegen verzetten, is Slomps boodschap, die hij ook over de grens luid laat klinken. Eerst vanaf de kansels van Duitse zusterkerken, en nadat hem dat verboden wordt tijdens openluchtbijeenkomsten voor soms meer dan duizend toehoorders.

Hulp aan onderduikers

Vanaf het begin van de bezetting ageert de predikant tegen de pogingen van de Duitsers om de Nederlandse samenleving te nazificeren. Hij keert zich tegen de isolering van de Joden, die uitmondt in hun deportatie en vernietiging. Zijn activiteiten spitsen zich toe op het houden van preken en de hulpverlening aan onderduikers.

In juli 1942 ontkomt hij ternauwernood aan arrestatie door de Sicherheitspolizei en reist hij van het ene onderduikadres naar het andere. Overal waar hij komt, klinkt tijdens geheime bijeenkomsten zijn aansporing tot verzet. Tijdens zo’n bijeenkomst in Winsterwijk ontmoet hij Helena Kuipers-Rietberg, die hem ervan overtuigt een landelijke organisatie op te richten voor hulp aan onderduikers: Joden, jongeren die aan de arbeidsdienst willen ontkomen, studenten, mannen die niet in het kader van de Arbeidsinzet gedwongen in Duitsland willen werken en alle andere vervolgden.

Zwerftocht

In de daaropvolgende maanden trekt ds. Slomp het land door om die organisatie van de grond te tillen. Deze zwerftocht levert hem zijn bijnaam Frits de Zwerver op. Soms staat hij ook weer op de kansel. Dan preekt hij bijvoorbeeld over Jesaja 16, waar opgeroepen wordt „de verdrevenen te verbergen en de omzwervenden niet te melden.” In Dordrecht spreekt hij tot de kerkleden: „Als er vanavond een Jood of onderduiker bij u aan de deur klopt en vraagt om onderdak, om Christus’ wil zult gij hem herbergen.”

Na zo’n ontmoeting wordt een plaatselijke commissie opgericht die de organisatie van de onderduik op zich neemt. Wat Slomp in oktober 1942 begon, groeit in het daaropvolgend jaar uit tot een landelijk netwerk. De LO wordt de veruit grootste verzetsorganisatie van ons land.

Na de April-Meistaking in 1943 neemt het aantal onderduikers explosief toe. Die toestroom stelt de LO voor steeds grotere problemen. Behalve aan meer onderduikadressen is er ook behoefte aan meer bonkaarten en valse persoonsbewijzen. Om officiële documenten te vervalsen wordt een falsificatieafdeling opgericht.

Voor de benodigde bonkaarten zoekt de LO-leiding contact met knokploegen, die her en der gewapende overvallen op distributiekantoren plegen. In augustus 1943 wordt er een eigen landelijk verband van knokploegen opgericht, de LKP. De LKP wordt wel de gewapende arm van de LO genoemd. Zij beschermen LO’ers en proberen hen te bevrijden als ze worden gevangengenomen. Zo bevrijdt de LKP onder aanvoering van Liepke Scheepstra op 11 mei 1944 dominee Slomp uit de koepelgevangenis van Arnhem.

Netwerk

In januari 1943 komt ds. Slomp naar Leeuwarden om een kleine groep gelijkgezinden te informeren over zijn onderduikorganisatie. Dat is het begin van de LO in Friesland. Via een netwerk van predikanten en onderwijzers worden er geleidelijk aan overal lokale groepen opgericht, die zich tot een provinciaal netwerk samenvoegen.

In de gemeente Wonseradeel is het de gereformeerde predikant van Makkum, L. Touwen, die samen met zijn hervormde collega ds. A. E. van Baalen en pastoor L. H. L. de Jong leidinggeeft aan de LO. Bob Dijkstra sluit zich bij hen aan. Hij, de onderduiker, wordt nu actief voor anderen die op de vlucht zijn.

In het dorp en wijde omgeving vinden vele onderduikers een schuilplaats. Het centrum van het verzet wordt de vishandel en conservenfabriek van de gebroeders Van den Berg. In de fabriek werken veel onderduikers, ook Bob Dijkstra. Hij zal echter vooral actief geweest zijn met het regelen van onderdak, bonkaarten en valse persoonsbewijzen voor onderduikers. Ook is hij betrokken bij spionageactiviteiten voor de geallieerden. Makkum groeit uit tot een „broeinest van verzet.”

Wapendroppings

De Duitse politie-instanties maken met hulp van Nederlandse collaborateurs steeds feller jacht op illegale werkers. In augustus 1944 wordt de LO-Makkum een zware klap toegebracht door de arrestatie van ds. Touwen, die op 8 september in Drenthe wordt gefusilleerd.

Op 5 september 1944 beveelt de Nederlandse regering in Londen de belangrijkste verzetsorganisaties hun krachten te bundelen. Zij moeten samenwerken in de Binnenlandse Strijdkrachten (BS). Ondanks zijn jonge leeftijd wordt Bob Dijkstra districtsoperatieleider. Zijn aanstelling geeft blijk van het grote gezag dat hij in de Friese verzetskringen heeft opgebouwd. Na de oorlog schrijft een medewerker over hem: „Bob was leider van de Makkumse groep. Hij liep vooraan en gaf de bevelen, deed dat op eigen houtje of met één jongen.”

Van oktober 1944 tot zijn dood geeft Dijkstra leiding aan achttien wapendroppings. De wapens worden onder de verzetsgroepen in de wijde omgeving verdeeld. Ook helpt de BS van Makkum mee aan illegale voedseltransporten die in de Hongerwinter via de Afsluitdijk en over het IJsselmeer naar Holland gestuurd worden.

Als bij de Duitse contraspionage bekend wordt dat er wapens verborgen worden in en rond Makkum, proberen Nederlandse medewerkers in de verzetsgroep te infiltreren. In januari 1945 lukt hun dat. Zij komen veel te weten over Bob Dijkstra en zullen alles verraden.

Vermoord

In maart komt een afdeling van het Duitse leger naar het dorp om naar de wapens te zoeken. Net op tijd worden die in een schuur verborgen. Maar wanneer in de nacht van 6 op 7 april een commando van de Sicherheitspolizei uit Groningen het dorp overvalt, weten zij wie ze moeten arresteren.

Hun gevangenen worden naar de marechausseekazerne gebracht, waar zij gruwelijk mishandeld worden. Bob Dijkstra moet het het meest ontgelden. In de middag van de 7e april wordt hij, samen met Sjoerd Adema, Fetze Elgersma, Hermanus Falkena, Jacobus Keller en Hendrik Lemson, achter de marechausseekazerne op gruwelijke wijze vermoord. Een zevende gevangene, Jan Emmens, wordt op 13 april gedood.

Enkele dagen later gaat de gereformeerde predikant en verzetsman ds. H. J. Hoek naar Dijkstra’s ouders. Hij geeft hun de brief waarin hun zoon tot hen spreekt.

Strijd tussen Goed en Kwaad

Wat zat er achter het verzet? Die vraag stelt VU-hoogleraar R. Schippers in 1965 tijdens de herdenking van het verzet van de Vrije Universiteit in de jaren 1940-1945. Schippers verwijst naar de volgende passage uit de afscheidsbrief van Hobbes Dijkstra voor het antwoord op die vraag: „Met Gods hulp heb ik gekozen voor een wat korter leven in Zijn dienst (al is het met vele, vele gebreken), tegen een langer leven met een sprekend geweten.”

Ook historicus A. Th. van Deursen haalt deze zin uit de brief naar voren in zijn studie naar de geschiedenis van de VU en stelt: „Daar ging het de calvinisten uiteindelijk om in de keus tussen Goed en Kwaad.”

Veel leden van de LO-LKP zullen zich daarin herkennen. Daarom hebben zij in 1946 de brief van Bob Dijkstra in hun weekblad De Zwerver gepubliceerd. In zijn brief sprak hij ook namens hen.

De auteurs zijn historici.

Bobs brief aan zijn ouders

Bob Dijkstra (21) werd vermoord „na hardnekkig te hebben gezwegen bij ’n drievoudig zwaar verhoor”, aldus het blad De Zwerver. Het publiceerde Dijkstra’s brief aan zijn ouders: „Als U deze brief ontvangt zal een groot verdriet U getroffen hebben. U weet, dat ik deze 4 jaren naar mijn vermogen gewerkt heb om onze vaderlandse zaak te dienen. Nu, ongeveer 3 maanden geleden, werd mij een zwaardere en nieuwe taak op de schouders gelegd en kwam ik bij het ondergrondse leger. Ik kon niet met U praten, hoe te beslissen, omtrent deze gewichtige stap, er was niet genoeg contact tussen ons om dat te bespreken en ik werd dus helemaal aan me zelf overgelaten.

Ik ben toen toegetreden, omdat ik het allereerst een plicht vond van een krachtig christelijk student om in alles voor ons Nederlandse volk een voorbeeld te wezen en alles voor dat volk over te hebben. Vooral omdat ik een christen geloof te zijn en tracht te zijn, heb ik de moed gevonden om deze stap te doen.

Ik kan mijn lot in Zijn hand stellen en vertrouwen dat Hij mij in grote gevaren zal behoeden en indien ik viel, dan was dat Zijn wil en naar mijn overtuiging in Zijn dienst.

Nu weet ik wat moeder zou zeggen: „Waarom juist jij?” Maar ik ben een christen, én krachtig gebouwd én jong. Wie zou het dan moeten doen, als ik met zoveel voorrechten niet wilde?

Niet dat deze beslissing me niet moeilijk viel. Mijn leven is niet ten volle ontplooid, de grote liefde hier op aarde heb ik niet gekend, m’n prachtige toekomst moest ik ook kunnen loslaten en ik wist dat mijn sectie een zeer moeilijke taak zou hebben; tevens moest ik de kans riskeren om U een groot verdriet te doen.

Toch heb ik met Gods hulp gekozen voor een korter leven in Zijn dienst (al is het met vele, vele gebreken), tegen een langer leven met een sprekend geweten.

’k Wilde U nu met deze brief wat troost brengen na mijn dood en U de enige weg wijzen, die misschien Uw wanhoop wat zou kunnen verzachten: ik hoop op de beloften Gods aan een zondaar gegeven en hoop Hem dan na m’n dood eeuwig te zien. Misschien zult U dan ook kunnen berusten in Zijn wil en mijn keuze en m’n volgen van mijn principes en niet wrokkig zijn tegen Zijn wil en mijn beslissing.

Ik wens U allen met alle liefde, een, door Gods hulp, gelukkig leven in bevrijd Nederland, waar ik ’t liefste wat in mij is aan denk te geven,

(Hierna volgen enkele persoonlijke woorden, waarna de brief eindigt met:) ’k neem afscheid van U allen, Bob.