Vijf jaar Nederland: geen oorlog, geen honger

Uitgenodigde vluchtelingen
3

Terugblikkend op haar eerste vijf jaar in Nederland, komen er bij Lucy Akot (35) zowel mooie als moeilijke momenten boven. Voor de Sudanese vluchteling overheerst de dankbaarheid.

Terwijl haar jongste zoon, Joseph, vrolijk rondspringt in de opgeruimde woonkamer, zet Lucy koffie en koekjes op tafel. Aan de wand hangt de foto die de RD-fotograaf van haar maakte, twee dagen na aankomst in Nederland. In de vensterbank staan twee planten. Naast de computer ligt het boek ”Bijbelse verhalen voor jonge kinderen”.

In augustus 2005 betrok Lucy een rijtjehuis in Swifterbant, samen met haar man en vier kinderen. Inmiddels is ze gescheiden. Ze geeft aan dat haar huwelijk in Afrika al onder druk stond. Kort voordat ze naar Nederland kwam, woonde ze geruime tijd apart van haar echtgenoot. Een gezamenlijke nieuwe start in Nederland heeft hun huwelijk niet kunnen redden.

Lucy doet haar verhaal grotendeels in het Nederlands. Alleen tegen het einde van het gesprek schakelt ze een paar keer over op Engels. Ze is bezig met de laatste fase van haar inburgeringstraject, waaraan ze in 2007 begon. Twee dagen per week gaat ze daarvoor nog naar school.

Ze hoopt op termijn een beroepsopleiding te kunnen volgen. „Misschien zorg en welzijn. Ik wil graag met kinderen of met oude mensen werken.” Of het haalbaar is, weet ze niet, want de zorg voor Lucky (11), Peace (9), Johnson (7) en Joseph (4) neemt haar voor een groot deel in beslag. Bovendien kampt ze al lange tijd met bloedarmoede. „Ik heb vaak hoofdpijn.”

Vanaf medio 2007 bouwde Lucy voorzichtig wat contacten met Nederlanders op. Het begon op een zomerse dag met een spontane ontmoeting met een buurvrouw. Zij stimuleerde Lucy zich niet in huis op te sluiten en bracht haar op verzoek van de vluchteling in contact met de rooms-katholieke parochie.

In augustus 2008 liet Lucy haar kinderen dopen. „In Afrika was dat vanwege de oorlogssituatie niet gebeurd. Ik was blij dat het nu eindelijk kon. Toen het water op hun hoofd werd gesprenkeld, kreeg ik tranen.” Ze staat op, pakt vier houten duiven van de kast, met op elk de naam van een kind en de doopdatum. „Elke zondag ga ik met mijn kinderen naar de kerk.”

Ze houdt hun voor dat ze God dankbaar mogen zijn dat ze een plek in Nederland kregen. „Soms zien we op tv hoe mensen in Afrika leven, bijvoorbeeld in Darfur. Dan zeg ik: „We hebben geluk dat we hier zijn, zonder oorlog, zonder honger.” De kinderen kunnen naar school. Als ze hun best doen en later een goede baan krijgen, kunnen ze misschien een project starten om weeskinderen in Afrika te helpen.”

Elke avond bidt en dankt ze met haar kinderen. „We zitten in een kring en bidden eerst samen het Onze Vader. Daarna mag iedereen zelf zeggen wat hij wil. Joseph bidt dan bijvoorbeeld: Help ons om goed te luisteren naar onze moeder. En hij vraagt of hij zijn oma uit Afrika mag zien. Ze is 65 en zit nog in een vluchtelingenkamp in Uganda. Ik denk vaak aan haar. Soms kan ik er niet van slapen.”

In het dorp in de polder zijn Lucy en haar kinderen het enige Sudanese gezin. Hoewel ze dankbaar is voor alles wat ze in Nederland krijgt en de contacten die ze heeft, voelt ze zich er soms eenzaam.

Wat mist ze het meest als ze aan haar vaderland denkt? „Afrika is arm, maar soms lijkt het of de mensen daar gelukkiger zijn dan hier. Er zijn regelmatig feesten. Dan komen er veel mensen bij elkaar om te zingen en te dansen, en iedereen is blij. Dat mis ik hier wel eens.”

Dit is het eerste deel in een serie van drie artikelen waarin uitgenodigde Afrikaanse vluchtelingen terugblikken op hun eerste vijf jaar in Nederland.


Lucy Akot

Lucy Akot (35) groeide op in Zuid-Sudan. In 1994 vluchtte ze vanwege de oorlog in haar land naar Uganda. Ze trouwde en kreeg drie kinderen. In januari 2005 kwam het gezin vanuit een Ugandees vluchtelingenkamp naar Nederland. Na een verblijf van negen maanden in een asielzoekerscentrum in Almere kreeg het een woning in Swifterbant toegewezen, kort na de geboorte van een vierde kind. „In Afrika was het onveilig en had ik geen vrijheid, hier ben ik vrij”, zei Lucy kort na aankomst in Nederland in deze krant. En, toekomstgericht: „We moeten eerst de taal leren. Daarna zullen we in staat zijn alles te doen.”