Tweeling van 86 over het huishouden: Wij zijn poetsmensen

De eeneiige tweeling Hennie Blankenstijn-Ebbers (l.) en Dikkie van Veluw-Ebbers. „Zoals wij schoonmaakten, dat hoor je tegenwoordig niet veel meer hoor.” beeld Evert Barten

Van een betrekking bij de freule tot was schrobben in de tobbe. De eeneiige tweeling Hennie Blankenstijn-Ebbers en Dikkie van Veluw-Ebbers (86) heeft haar hele leven gepoetst. Nog steeds krijgen ze elk voorjaar de kriebels. Dan gaat toch weer een kast overhoop.

De muur in de gang hangt vol zwart-witfoto’s. „Mijn voorgeslacht”, wijst Hennie Blankenstijn-Ebbers trots. Ze gaat voor naar de woonkamer, waar zus Dikkie van Veluw-Ebbers al zit te wachten. Op een bijzettafeltje staan meer oude foto’s, waaronder een jeugdfoto van de tweeling. Ze zijn niet te onderscheiden van elkaar. „Nu we ouder zijn zie je wel wat verschil, maar we worden nog steeds regelmatig door elkaar gehaald”, zegt Blankenstijn. De woonkamer ziet eruit om door een ringetje te halen. „Gisteravond heb ik speciaal nog gezwabberd.”

tweeling

Het document kan niet getoond worden, omdat het mogelijk is dat het cookies plaatst die volgens uw cookie-instellingen niet toegestaan zijn.
Sta alle cookies toe om het document te tonen.

De tweeling werd geboren in 1933, na een zwangerschap van slechts zeven maanden. Ze werden tussen watten en kruiken ingepakt, want er was nog geen couveuse. Blankenstijn: „Mijn moeder noemde ons minnetjes, zo klein waren we.”

Ze hoefden thuis niet veel in het huishouden te helpen, want er was een oudere zus die dat deed. Behalve in het voorjaar, want dan was het tijd voor de grote schoonmaak. „Het hele huis ging overhoop”, zegt Van Veluw. „De matten op de vloer, het beddengoed, de gordijnen… alles ging naar buiten en werd uitgeklopt. Zelfs de boeken moesten eraan geloven. En de vloer wreven we op onze knieën met wrijfwas in.”

Zilver poetsen

Na de oorlog ging de tweeling naar de huishoudschool. „Samen op de tandem”, lacht Van Veluw. „Met twee andere meiden, die waren op een jongensfiets. Wat een lol hadden we. Gelukkig leerden we op de huishoudschool naaien, koken en huishoudelijk werk, want thuis mochten we niet zoveel meehelpen.”

Al snel werd het tijd om geld te gaan verdienen. Op haar veertiende ging Blankenstijn bij een gezin schoonmaken. „Ik begon de dag met de schoenen poetsen voor meneer, hij was leraar. Elke ochtend stond er een rijtje schoenen in de schuur.”

De inkomsten van een week poetsen: zes gulden. Het bedrag werd thuis afgegeven. „Voor de winterkleding.”

Daarnaast maakte ze ook nog schoon bij een freule in de huishouding. Van Veluw: „O, die vrouw met die hondjes? Hoe heetten die ook alweer?” Blankenstijn: „Knorrie en Dokkie. Ze had geen man, dus ze nam genoegen met die hondjes.”

Later, toen haar kinderen groter werden, ging ze weer bij andere mensen poetsen. „Het hield maar niet op.”

Ook Van Veluw maakte schoon bij verschillende mensen in huis. In 1955 trouwde ze, maar het echtpaar kreeg geen kinderen. „Toen ben ik gaan werken in gezinnen waar geen moeder meer was. Och och, wat een werk was het. Zat je daar op je knieën een marmeren vloer te poetsen. Niks geen gemakken had je. Wat ik allemaal niet gedaan heb, het is geen wonder dat mijn benen zeer doen.” Dan, serieus: „Maar ik heb het altijd met plezier gedaan.”

De voorjaarsschoonmaak bleef een vaste gewoonte in het huishouden van de tweeling. Blankenstijn: „Dikkies eerste man is overleden en op haar 57e trouwde ze met haar tweede man. Nou, toen ging ze weer aan de schoonmaak hoor.” Van Veluw: „Ik had vleugels, zo verliefd was ik op die man. Hup, daar gingen de kasten leeg en de vitrages in de was.”

Blankenstijn: „Zoals wij schoonmaakten, dat hoor je tegenwoordig niet veel meer. De meeste jongelui werken tegenwoordig, mijn kinderen ook. Gelukkig zijn ze wel allemaal schoon.” Lachend: „Dat hebben ze meegekregen van hun moeder.”

Hoewel ze allebei niets liever doen dan schoonmaken, is er ook een huishoudelijke taak waar ze een hekel aan hebben: zilver en koper poetsen. „Vreselijk, bij die mevrouwen moesten we dat altijd doen. Daarom heb ik tegenwoordig nauwelijks meer iets, alleen nog wat zilveren dingen.” Blankenstijn gebaart naar een bijzettafel, waar een zilveren schaaltje en wat vorkjes keurig staan te glimmen. „Ja, dat poets ik nog netjes hoor.”

Kriebels

Tegenwoordig maakt de tweeling, beiden al jaren weduwe, minder schoon dan vroeger. „Ik heb een goede hulp”, zegt Van Veluw. „Dan zeg ik tegen haar dat ze de kasten iets opzij moet schuiven, zodat ze daar ook onder kan stofzuigen.”

Blankenstijn maakt nog wel wat schoon. „De hulp doet de lage dingen en ik blijf op ooghoogte. Ik kan niet meer goed bukken.”

In het voorjaar krijgt de tweeling nog altijd de kriebels. Dan gaat er toch een linnenkast leeg om gesopt te worden. Blankenstijn: „En dan is het nodig ook.” Van Veluw knikt instemmend. „Stof ligt overal.”

Beiden hebben er soms best moeite mee dat ze niet zoveel meer kunnen. „Natuurlijk zijn we blij dat we nog relatief gezond zijn. Maar het blijft lastig om te accepteren dat je oud wordt. We zijn poetsmensen hè, poetsen is ons leven geweest.”

2020-02-21-BIN2-dweilen-1-FC-V_web„Ik maakte de auto van mijn vriend schoon met een schuurspons”