Straathoekwerker biedt hulp aan jongere in de knel

Een deel van het straathoekwerk is preventief. beeld Bram van der Biezen
3

Ze rijden rondjes langs hangplekken, zijn altijd bereikbaar via de app en helpen jongeren op een laagdrempelige manier in contact te komen met hulpverleners. Dit jaar viert Straathoekwerk Nunspeet haar twintigjarig jubileum. De straathoekwerkers hebben het drukker dan ooit. Op pad met het enthousiaste team.

Fernand rijdt zijn jeep de parkeerplaats van het Transferium Nunspeet op. Naast hem zit collega Dennis. „Even kijken of het hier rustig is.” De mannen (beiden 34) turen uit het autoraam naar het glazen toegangshok onder de uitkijktoren. Afgezien van een koppel dat op het punt staat de toren te beklimmen, is er weinig activiteit te bespeuren. „’s Avonds hangen hier vaak jongeren”, zegt Fernand.

Het is woensdagmiddag, iets na drieën. De twee straathoekwerkers zijn bezig met wat ze „even een rondje maken” noemen. Het is de basis van hun baan als straathoekwerker: de straat op en de boel in de gaten houden. Normaal doen ze dat vooral ’s avonds, want nu zijn er weinig hangjongeren te bespeuren. Fernand wijst naar een bosje aan de overkant van de parkeerplaats. „Daar heeft iemand maandag nog een auto in de brand gestoken. Ik heb gisteren samen met de politie de camerabeelden bekeken.”

Volgende stop: het dorpscentrum van Nunspeet. Het halletje bij de supermarkt is een geliefde hangplek op zaterdagavond. „Het is overdekt, er is gratis wifi en de kebabzaak zit aan de overkant. Alles wat die jongens maar nodig hebben.”

Samen met de buurtbemiddeling en de politie houden de straathoekwerkers een oogje in het zeil. Er mag niet te veel overlast ontstaan voor de buurt. „Het kan intimiderend zijn voor mensen die voorbijlopen, zo’n groep jongeren.”

Op de witte muur van het postkantoor staat groot de naam ”Peter” gekalkt. De anonieme schrijver blijkt in heel Nunspeet zijn naam achter te laten. Dennis: „We zijn er nog niet achter wie het is.” Fernand: „Al ken ik wel iemand die van zijn doopnaam Peter heet, misschien is hij het.”

We rijden verder door een nieuwbouwwijk. Fernand wijst naar een huisje dat er wat verloederd uitziet. „Dat moeten we nog leeghalen voor de gemeente, de jongen die er woonde zit inmiddels in een beschermde woonvorm. Er komt morgen een container als het goed is.” Hij overlegt met Dennis over wie er gaat meehelpen met spullen opruimen.

In de wijk is het stil en rustig. „Het ziet er hier mooi uit, maar wij weten wat er achter sommige deuren gebeurt. Dat is het nadeel van dit werk, je hoort en ziet alles.”

Sporthok

Iedereen kent de straathoekwerkers in Nunspeet, en zij kennen iedereen. Ze bieden hulpverlening aan jongeren die in de problemen zitten, bijvoorbeeld omdat ze verslaafd zijn. Ze gaan de straat op, overleggen met maatschappelijk werk, politie en de leerplichtambtenaar en helpen jongeren bij het vinden van een huis of het zoeken naar een baan.

Dat laatste doen ze vooral vanuit hun eigen kantoor, in een oude school naast de Ds. C. de Ridderschool in Nunspeet. In de grote ruimte staan een paar bureaus, maar verder is er vooral veel plek gereserveerd voor grote hangbanken, een voetbaltafel, een tafeltennistafel en zelfs een eigen sporthok („praten over problemen is makkelijker als je ondertussen aan het bewegen bent”). Op de vloer scharrelt een blinde jack russell rond. „Wonderbaarlijk genoeg loopt ze nergens tegenaan, behalve als je onderwachts een meubelstuk verplaatst.”

Nachtopvang

Dit jaar viert Straathoekwerk Nunspeet haar twintigjarig jubileum. Er zijn vier mensen in dienst. Lambert (56) is al vanaf het begin bij de organisatie betrokken. Eerst was hij alleen, negen jaar geleden kwam Fernand erbij en vorig jaar zijn Vera (24) en Dennis aangenomen. „Er is superveel veranderd in de zorg de afgelopen jaren, maar op de een of andere manier zijn wij gewoon blijven staan. We hebben het drukker dan ooit.”

Er zijn weliswaar minder hangjongeren op straat dan vroeger, maar de straathoekwerkers zien een toename in de complexiteit van situaties. „Het begint vaak met een moeilijke thuissituatie”, zegt Lambert. „En dan krijgen ze problemen op school, financiële moeilijkheden, een verslaving, moeite om een huis te vinden... Zo stuitert het verder.”

Soms nemen jongeren zelf contact op, een andere keer komen ze via school of via de wijkagent bij straathoekwerk terecht. Fernand: „Dan bekijken wij: wat is het probleem en wie heb je nodig? We hebben overal een beetje verstand van, we zijn niet gespecialiseerd.”

De ene dag heeft hij overleg met de politie, de andere dag komt hij bij iemand thuis om te helpen met formulieren invullen voor het UWV. „Vorige week hielp ik nog een meisje van 19 dat werk kon krijgen via het doelgroepregister. Maar als ze die ingewikkelde formulieren zelf moet invullen, haakt ze af.”

Niet iedere jongere is even gemotiveerd om zaken aan te pakken. Dan proberen de straathoekwerkers alsnog contact te houden en ergens ingang te vinden. Lambert noemt het voorbeeld van een jongen met drugsproblemen die lastig te helpen is. „Laatst kreeg ik ’s avonds laat ineens een appje van hem. Dat hij op straat stond. Ik gaf hem het nummer van de nachtopvang en hij heeft zelf contact met ze opgenomen. Dat verbaasde me al. Soms heb je ineens een doorbraak in een lange, negatieve periode.”

De straathoekwerker heeft nu contact met zijn ouders. „Hoe vreemd het ook klinkt, mijn enige boodschap aan hen is: laat hem er niet in. Dan beginnen alle problemen weer opnieuw.”

Grenzen

Behalve met het begeleiden van jongeren met problemen zijn de straathoekwerkers ook preventief bezig. Zo geven ze voorlichtingen en weerbaarheidstrainingen op scholen. Op een regenachtige woensdagmorgen geeft Vera een training aan groep 8 van de prinses Beatrixschool in Hulshorst. De kinderen lopen op sokken de gymzaal in en gaan netjes op de houten banken langs de muur zitten. Vera –ook op sokken–: „Jongens, wie weet wat weerbaarheid betekent?” „Voor jezelf opkomen, dat heb ik op internet opgezocht”, roept een meisje.

„Precies, je grenzen aangeven. Daar gaan we het over hebben.”

De groep begint met een balansoefening. Vera doet hem voor met vrijwilliger Ralf. „Jullie moeten straks tegenover elkaar gaan staan, met de handen tegen elkaar duwen en zo proberen elkaar uit balans te halen.” Ralf begint meteen met een harde duw, maar Vera duwt niet terug, waardoor hij zijn balans verliest. Vera: „Als je niet de sterkste bent, kun je ook slim zijn.”

De volgende oefening is wat rustiger. De helft van de groep gaat aan de ene kant van de gymzaal staan, de rest aan de andere kant. Ze moeten langzaam naar elkaar toekomen en stop zeggen als ze vinden dat de ander te dichtbij komt. „Stop!” klinkt het luid door de gymzaal. Het ene duo staat op een meter afstand, het andere bijna bovenop elkaars neus. „Zij mag dichtbij komen, ze is een goede vriendin van me”, zegt een meisje. Iemand anders is duidelijker. „Als ik niet zo veel met diegene heb, zeg ik eerder stop.”

Vera: „Altijd op tijd aangeven wanneer het niet meer fijn voelt.”

Dan is het tijd voor het actieve deel van de les: boksen. Vera heeft twee stootkussens meegenomen waar iedereen in mag trappen. Vooraf waarschuwt ze: „Wat jullie nu gaan leren, mag je niet op het schoolplein gebruiken.” „Waarom leren we het dan?” klinkt het bijdehand door de gymzaal. „Omdat boksen ook te maken heeft met zelfvertrouwen. Als je je sterk voelt, straal je dat ook uit.”

Terwijl de juf het stootkussen vasthoudt, kijkt Vera goedkeurend toe. „We geven deze trainingen ook om kinderen een beetje kennis te laten maken met het straathoekwerk. Al hoop ik natuurlijk dat het nooit zover komt dat ze later mijn hulp nodig hebben.”

Straathoekwerk

Nunspeet

Op veel plekken in Nederland zijn straathoekwerkers bij welzijnsorganisaties ondergebracht. De gemeente Nunspeet is een van de weinige gemeenten in Nederland met een eigen organisatie voor straathoekwerk. Het geeft de jongerenwerkers de kans laagdrempelig te werken. „We hoeven niet aan bepaalde kaders te voldoen”, zegt straathoekwerker Fernand.

Volgens hem werken andere gemeenten meer met boa’s, buitengewone opsporingsambtenaren die toezicht houden op straat. In Nunspeet is de aanpak vooral preventief. „We zijn niet direct repressief bezig, maar kijken naar de jongere zelf. Waarom hangt hij op straat? Wie is hij? Wat heeft hij nodig? Hoe lossen we het probleem op? Op lange termijn heeft de gemeente daar meer aan.”

De straathoekwerkers hebben veel contact met politie, de gemeente, de scholen, de sociale dienst, leerplichtambtenaren en het Centrum Jeugd en Gezin. Samen met hen zetten ze een begeleidingstraject uit.

straathoekwerknunspeet.nl