Springvloed in demonstratieland

beeld ANP, Koen van Weel
4

Boeren, bouwers, leraren, klimaatstakers en dierenactivisten: het is slechts een greep uit de vele groepen demonstranten die de achterliggende tijd het gras van het Malieveld plat trapten of op andere wijze in de benen kwamen. Kunnen we spreken van een demonstratiegolf?

Ja, zegt Jacquelien van Stekelenburg, hoogleraar sociale verandering en conflict aan de Vrije Universiteit Amsterdam. Ze wijst erop dat demonstreren en protesteren een golfbeweging kennen. „Op dit moment zitten we in een springvloed.” Uit cijfers van het aantal protesten in een reeks westerse landen tussen 1900 en 2012 blijkt dat er de laatste jaren net zo veel gedemonstreerd werd als in de roerige jaren 60 van de vorige eeuw. De hoogleraar heeft ook cijfers van dichter bij huis: in Amsterdam steeg het aantal aangevraagde demonstraties tussen 2014 en 2018 van ruim 200 tot 1081.

Valt de golf van demonstraties in de jaren 60 te verklaren uit het optreden van een nieuwe generatie met meer post-materiële normen, vanaf een jaar of tien geleden cirkelden demonstraties vooral rond drie thema’s, signaleert de socioloog. Allereerst zorgde de financiële crisis ervoor dat overheden bezuinigingsmaatregelen troffen, wat mensen prikkelde de straat op te gaan. Daarnaast waren er protesten die gingen over de democratie, bijvoorbeeld in Iran. Tot slot noemt Van Stekelenburg de beweging Occupy; volgens de socioloog een combinatie van bewegingen die kritisch waren op het financiële beleid van overheden en op het gebrek aan democratie in bepaalde landen.

„Nederland is eigenlijk helemaal niet zo’n demonstratieland”, benadrukt Van Stekelenburg. „In landen als Frankrijk en Spanje wordt altijd al meer gedemonstreerd.”

Ontevreden

De Amsterdamse hoogleraar vindt het een te gemakkelijke verklaring om te zeggen: burgers zijn ontevredener geworden en daardoor stijgt het aantal demonstraties. „Ontevredenheid alleen maakt niet opstandig”, zegt Van Stekelenburg. „Je moet een persoon of een organisatie hebben die bereid is om een demonstratie te organiseren. Daar heb je de kennis, de vaardigheden, het netwerk en het geld voor nodig. Niet iedereen heeft die middelen.”

Daarnaast moeten mensen geïnspireerd raken, zegt de socioloog. Zo zagen de Catalenen wat er in Hongkong gebeurde, noemt ze als voorbeeld.

„Verder is het belangrijk dat mensen erin geloven dat een demonstratie effect gaat hebben en dat politici bereid zijn te luisteren. Maar het kan ook zijn dat ze zo ontzettend verontwaardigd of boos zijn op hun bestuurders dat ze denken: Dit pikken we niet langer.”

Wie de doorsnee demonstrant is? De socioloog deed onderzoek naar demonstraties in negen voornamelijk West-Europese landen. Daarbij ging het om grotere demonstraties, waarbij geen risico bekend was dat het uit de hand zou lopen. „We hebben nu in totaal 28.000 mensen in de dataset; dat zijn mensen die op demonstraties aanwezig waren. Van die demonstranten is 90 procent links. In westerse, democratische landen is het dus vooral de links georiënteerde burger die geneigd is om te demonstreren.” Toch meent de hoogleraar een verandering waar te nemen: „Het lijkt erop dat sommige demonstraties wat meer populistisch-rechtse mensen aantrekken.” Als voorbeelden noemt ze de gele hesjes, de pro-Zwarte Pietdemonstraties en de acties bij de Oostvaardersplassen.

Vertrouwen

„Super opmerkelijk” noemt ze de uitkomst van haar onderzoek naar vertrouwen in de politiek onder de 28.000 demonstranten: zowel mensen met veel vertrouwen in de politiek als mensen met weinig vertrouwen gaan de straat op. Demonstreren kan dan ook gezien worden als een soort opstand van burgers, maar ook als een vorm van politieke participatie, aldus Van Stekelenburg.

Wanneer is een demonstratie succesvol? Als politici bereid blijken om eisen in te willigen? „Niet alleen dan”, benadrukt Van Stekelenburg. „Succes kun je ook meten aan de mate waarin men erin slaagt in het nieuws te komen en de publieke opinie te beïnvloeden.” Media-aandacht kan bovendien zorgen voor een groei van de beweging en meer interne solidariteit.

Dat het niet eenvoudig is om het succes van een demonstratie te meten, laat de tweede boerendemonstratie van half oktober zien, zegt de wetenschapper. „Er waren al veel acties geweest. Tegelijk met de demonstratie was er in de Tweede Kamer een bijeenkomst over stikstof. Om dan te zeggen wat het effect van die ene demo is geweest, is bijna niet te destilleren.”

Desondanks zijn er wel cijfers over succes, zegt de onderzoeker. Een collega van Van Stekelenburg deed ooit onderzoek naar sociale bewegingen. Daaruit bleek dat ongeveer 30 procent van die bewegingen het doel of een deel van het doel bereikt. „Als je dat vergelijkt met stemmen, wat ook een van de mogelijkheden is die je als burger hebt, is dit eigenlijk niet eens zo heel slecht”, vindt Van Stekelenburg. „Want hoe groot is de kans dat het ene onderwerp dat jij zo belangrijk vindt in de coalitievorming bovenaan het prioriteitenlijstje staat? En stemmen is eens in de vier jaar. Demonstreren kun je altijd doen, en ook nog over ieder issue.”

Geweld

Doet het gebruik van geweld, zoals boeren die in Groningen de deur van het provinciehuis vernielden, het effect van demonstraties te niet? Niet altijd, weet Van Stekelenburg. Ze wijst op een Amerikaans onderzoek over in het nieuws komen met demonstraties. De onderzoekers concludeerden dat het gebruik van een klein beetje geweld zinvol is. „Zij lieten zien dat de kans dat er in de krant over je demonstratie wordt geschreven, groter is als er een heel klein beetje geweld wordt gebruikt.”

Demonstraties in Nederland zijn veel van hetzelfde, merkt de wetenschapper op. „Elke demonstratie is gelijk, maar toch ook weer een beetje anders.” Wat volgens Van Stekelenburg overeenkomt is dat het vaak traditionele organisaties en groepen zijn die de straat op gaan. Tegelijkertijd spelen „nieuwe media” tegenwoordig ook een rol in het organiseren van demonstraties. De socioloog noemt boeren „ontzettend goed georganiseerd.” Van bouwers weet ze niet dat ze eerder de straat op gingen. „Dat is denk ik een relatief nieuwe groep.”

Van Stekelenburg onderzocht of willen rellen een rol speelt bij demonstreren. Bij de scholierenprotesten van 2008, over de 1040 urennorm, ook wel de ‘ophokplicht’ genoemd, bleek dat slechts bij minder dan 5 procent van de respondenten sensatie en relzucht een drijfveer waren.

Toch haalt de hoogleraar een anekdote op die daar niet helemaal mee valt te rijmen. Van Stekelenburg fietste de middag van de protesten naar het Museumplein en ging in gesprek met scholieren. „Op een gegeven moment kwam er een groepje jongens naar mij toelopen. Eén van die jongens zei: „Het is toch belachelijk van die 1040 euro.” Van Stekelenburg liet het er maar bij.

beeld ANP

De broekriem aanhalen maakt kabinet niet altijd impopulair

Sommige kabinetten komen met een feestbegroting, andere hanteren de kaasschaaf of het bezuinigingsmes. Wie van beide is beter af?

Protesten, demonstraties en boze bezoekers bij Kamerdebatten. Kabinetten die al in hun regeerakkoord over bezuinigingen beginnen, zijn daar vaak niet door verrast.

Lubbers I, dat aantrad in 1982, is daarvan een sprekend voorbeeld. Dat kabinet boekte een besparing in van 15,2 miljard euro; een voor die tijd ongekend hoog bedrag. De hand ging op de knip, onder meer door bezuinigingen op de sociale zekerheid. Behalve de uitkeringen te verlagen, werden ook de salarissen van ambtenaren en leerkrachten gekort.

In het buitenland verwierf Lubbers zich de door hem als eervol ervaren bijnaam Ruud Shock.

Tot vlak voor 21 mei 1986, de datum van de Tweede Kamerverkiezingen, stond zijn CDA in de peilingen op verlies. Een inschattingsfout; toen de stemmen waren geteld bleek het zeteltal van de partij juist met negen te zijn gestegen naar 54. De analyses waren unaniem: Lubbers werd beloond voor zijn vastberadenheid. Onderwijzers en postbodes, buschauffeurs en agenten; ze demonstreerden en staakten, maar de premier bleef onverstoorbaar op koers.

Soms maakt puinruimen blijkbaar populair. Of toch niet? Ja, bij Lubbers wel, maar om uiteenlopende redenen hadden de drie kabinetten-Van Agt voor hem juist getalmd met het doorvoeren van noodzakelijke ingrepen. Hoe raar dat ook klinkt: dat kan op den duur wel degelijk aversie bij de kiezer oproepen. Als er na een regeringsploeg die het imago heeft besluiteloos te zijn een nieuw kabinet aantreedt dat wel doortastend is, kan juist een stevige aanpak worden ervaren als een verademing.

Lubbers profiteerde in de jaren tachtig duidelijk van dat effect, zo zag ook Van Agt. In een in 1988 verschenen biografie over hem, beaamt hij dat hij er maar mondjesmaat in was geslaagd de overheidsfinanciën weer op orde te brengen. Maar, zo voegde hij eraan toe, met zijn kabinetten had hij toch maar mooi de geesten rijp weten te maken voor de bezuinigingen van Lubbers I.

Nog een detail: Lubbers gaf leiding aan een goed geolied team met bewindslieden die al snel goed op elkaar waren ingespeeld. De constellatie die Van Agt leidde, was veel brozer. De vorming van het CDA door KVP, ARP en CHU was nog gaande, waarbij met name de ARP-achterban in 1977 veel liever in zee was gegaan met de PvdA dan met de VVD.

Toen KVP-minister Andriessen in 1978 op de proppen kwam met een pakket bezuinigsvoorstellen koos Van Agt ervoor die toch niet uit te voeren, hoewel hij ze inhoudelijk steunde. Zijn angst was dat morrende ARP’ers de eenheid in het CDA in gevaar zouden brengen. Uiteindelijk hield Andriessen de eer aan zichzelf.

Rutte

Vanaf 2010 zou Rutte het doorvoeren van bezuinigingen op eenzelfde manier als Lubbers paren aan een imago als daadkrachtig bestuurder. Ook hij voelde aan dat menig kiezer in tijden van economische crisis bereid is de voorkeur te geven aan een partij die schulden wil wegwerken en de economie snel wil laten groeien.

Daarom kwam hij in 2009 als oppositieleider al met een motie van wantrouwen tegen het kabinet-Balkenende IV dat volgens hem naliet de schatkist tijdig op orde te brengen. Tijdens de campagne lanceerde hij met veel tam-tam een VVD-staatsschuldmeter bij de ingang van het Tweede Kamergebouw. Daarop was te zien hoe hoog de staatsschuld zou zijn opgelopen als Balkenende eindelijk was uitgeregeerd.

Zo kon de premier bij de verkiezingen in 2010 en 2012 Lubbers’ kunststukje herhalen: bezuinigen en toch de grootste worden.

Wie in de geschiedenis op zoek gaat naar een kabinet dat genoeg kon uitgeven, maar toch stevig werd afgedroogd komt al snel uit bij Kok-II. Aan geld had deze regering geen gebrek. Maar de steun voor het kabinet brokkelde snel af, bijvoorbeeld door de wachtlijsten in de zorg.

Daar kwamen nog allerlei incidenten bij, zoals het doorlaten van drugskoeriers („bolletjesslikkers”) door justitie op Schiphol, vanwege een tekort aan celcapaciteit. Toen ‘professor’ Pim Fortuyn zijn aanval op de „puinhopen” van Paars opende, was het met de populariteit van dit kabinet snel gedaan.

Voor Rutte een belangrijke les: onvrede in een samenleving sus je niet alleen door de geldpomp aan te zetten.

Tal van (beroeps)groepen voeren actie

„Een paar weken geleden stonden we hier met de boeren, vandaag met de bouwers, en als we niet uitkijken over een paar weken met de bakkers”, zei SGP-Tweede Kamerlid Chris Stoffer onlangs. En inderdaad: tal van (beroeps)groepen voerden de afgelopen tijd actie:

De agrarische sector voerde op 1 oktober grootschalig actie op het Haagse Malieveld. Daar bleef het echter niet bij; trekkers stoomden ook op naar provinciehuizen, en op 16 oktober kwamen boeren opnieuw in groten getale naar Den Haag. Twee weken later volgde de bouwsector.

Afgelopen week lieten leraren van zich horen. Ook onder politiepersoneel en in de sociale advocatuur is er ontevredenheid.

Maar het bleef niet bij beroepsgroepen: zogenoemde klimaatstakers wisten naar schatting de meeste mensen te mobiliseren in de achterliggende periode. Demonstranten van de groep Extinction Rebellion, die rond hetzelfde thema protesteert, trokken aandacht met blokkades en vastlijmacties.

Ook dierenactivisten roerden zich, onder meer door de bezetting van een varkensstal in Boxtel, afgelopen mei.