Setkin Sies: Rotterdammer met hart voor de stad

Setkin Sies. beeld RD, Anton Dommerholt Anton Dommerholt
2

Hij lag onder vuur omdat hij als christelijke fractievoorzitter een debat organiseerde in een moskee. Maar Setkin Sies ligt er niet wakker van. Als rasechte Rotterdammer laat hij zich niet vlug de mond snoeren en is hij evenmin snel uit het lood te slaan. „Hoe de mensen naar mij kijken, bepaalt uiteindelijk niet wie ik ben.”

Setkin Sies. Niemand anders die zo heet. „Die voornaam komt uit de dikke duim van mijn vader”, grinnikt Sies (42) in een vergaderruimte van het monumentale Rotterdamse stadhuis aan de Coolsingel. „Ik heb gevraagd wat het betekent, maar het betekent niets.”

Een unieke naam heeft zo z’n voordelen: de persoonlijke website van Sies bestaat uit niets meer dan zijn voornaam. Meest aangeklikte rubriek op die site: ”Mooie vrouwen”. Onder die kop blijken bij nadere inspectie zijn vrouw en drie tienerdochters te worden voorgesteld. „Ik heb een heel harem thuis”, bevestigt Sies trots.

Het grapje is tekenend voor de fractievoorzitter van ChristenUnie en SGP in Rotterdam. Hij weegt niet ieder woord op een goudschaaltje. „Antilliaanse jongeren vroegen me bij de derde dochter: Je gaat toch wel door voor een zoon? Het is me niet gegeven. Ik geloof ook niet dat ik het mis. Straks krijg ik hopelijk drie schoonzoons.”

Hoe zou u uzelf omschrijven?

„Als een door Christus gegrepen visionair die vanuit de roep van het Evangelie zoekt naar hoe we God bij mensen of mensen bij God kunnen brengen. En als redelijk pragmatisch. Ik ben geen theologische fijnslijper. Wel een netwerker. Mensen bij elkaar brengen, daar houd ik van.”

En uw karakterzwaktes?

Lachend: „Pas heb ik een nieuwe ontdekking gedaan. Als je aan de ene kant van de lijn perfectionisme hebt, zit ik helemaal aan de andere kant. Ik ben niet geïnteresseerd in details. Laisser faire, het op zijn beloop laten: dat kan een valkuil voor me zijn. Stress is een woord dat ik niet ken. En verder? Verder heb ik de neiging om impulsief te zijn. Ik denk niet dat ik altijd genoeg tact bezit. Soms wil ik te veel doorduwen.”

Tegelijk wilt u kerken verenigen met uw organisatie Rotterdam United. Dan is tact niet overbodig.

„Daarom word ik ook geen dominee. Ik vraag me af wie van wie gek zou worden: de gemeente van mij of ik van de gemeente. De politiek is een mooie leerschool over hoe je elkaar in waarde laat. Ik leer ervan dat ik mijn eigenwaarde niet moet halen uit hoe anderen naar mij kijken, maar uit mijn relatie met God. Dat vind ik een moeilijk proces.”

U geeft op uw website aan dat Henri Nouwen u inspireert. Die schrijft juist hier veel over.

„Precies. Hij neemt zijn vertrekpunt in Mattheüs 3 en 4, over de doop en verzoeking van Jezus. Bij de doop hoort Hij: Jij bent Mijn geliefde Zoon. Maar in de woestijn doet de duivel alsof heel andere dingen belangrijk zijn, zoals van stenen brood kunnen maken of de wereld te bezitten. Echter, niet wat je kunt of wat je bezit bepaalt wie je bent. Dat wordt bepaald door het feit dat je een geliefd kind bent. Dat geldt voor Jezus, maar ook voor ons. Henri Nouwen bracht dat in praktijk: hij doceerde onder meer aan Harvard, met alles wat daarbij hoorde. Hij liet het allemaal los om voor gehandicapte kinderen te gaan zorgen. Dat staat totaal haaks op onze tijdsgeest.”

Zou u het kunnen?

„Ik denk dat ik een paar keer goed zou moeten slikken. Als ik zou weten dat God het van me vraagt...” Hij is even stil. Dan: „Laat ik me niet vromer voordoen dan ik ben. Ik ben best gecharmeerd van de aandacht die ik krijg. De prestatiedrang in mij kan ik minder botvieren door voor een enkeling te zorgen.”

Is dat een valkuil, in de belangstelling willen staan?

„Ik denk dat het minder en minder wordt. De positie die ik heb, brengt publieke aandacht met zich mee. Maar fractiemedewerkers krijgen zo veel ruimte als ze willen. Daar hoeft mijn naam niet zo nodig bij. Dat geldt ook voor mijn werk voor Rotterdam United. Liever een kerk in de krant dan dat Setkin zijn verhaal weer vertelt.”

U bent een uitgesproken CU-man, maar vertegenwoordigt in de Rotterdamse raad ook de SGP. Hoe kijken de SGP’ers in Rotterdam naar uw optreden?

„De samenwerking is de afgelopen periode heel prettig geweest. Maar recent, nadat we als fractie een integratiedebat hadden gehouden in de Essalammoskee hier in Rotterdam, merkte ik wel wat frictie. Het bestuur van de lokale SGP-kiesvereniging zei na afloop dat het onnodig en onwenselijk was om dat debat in de moskee te houden.”

Na afloop, zegt u. Ze stonden dus voor een voldongen feit?

„In dezen wel, maar dat geldt ook voor mijn eigen partij. Dit debat was georganiseerd door de fractie, met middelen van de fractie. Maar we hebben nu afgesproken dat we dit soort dingen in de toekomst van tevoren zullen bespreken. Het proces had zorgvuldiger gekund.”

De groep SGP’ers rond het blad In het Spoor schreef zelfs dat u met dit soort activiteiten het staatkundig gereformeerde gedachtegoed tart. Hebben ze een punt?

„Dat ligt aan het perspectief. Vanuit hun theocratisch gedachtegoed hebben ze een punt: dan moet je geen gebouw van een afgod gaan beschermen, zoals ik had voorgesteld. Maar zo kijk ik niet naar de wereld. Vanuit theologisch perspectief wel, maar vanuit politiek perspectief denk ik: deze moslims maken gebruik van precies dezelfde grondrechten als ikzelf. Ik wil die rechten en die mensen verdedigen.”

Doen christenen volgens u te moeilijk over zo’n moskeebezoek?

„Jezus zegt: Niet wat de mond ingaat, maakt de mens onrein, maar wat de mond uitgaat. Het probleem zit in mij, niet in de ander. Daarom wil ik de bereidheid hebben om andersdenkenden te ontmoeten. Ik wil hen niet van tevoren wegzetten. Dat is denk ik juist een van de problemen in deze samenleving: dat we letterlijk langs elkaar heen leven. Dat komt doordat we geen gedeeld verhaal meer hebben over onze identiteit. Als ik onzeker ben over mijn identiteit, vind ik het lastig de ander te ontmoeten. Ik hoop echt dat christenen intrinsiek gemotiveerd zijn om toch die ontmoeting aan te gaan. Ik vind dat zelf ook niet altijd makkelijk, maar de ander is voor mij geen bedreiging.”

Waar komt die drive vandaan om u zo in te zetten voor Rotterdam?

„Dit is gewoon de mooiste stad van de wereld. Dat meen ik echt. Om andere culturen te leren kennen, hoef ik de stad niet uit. De diversiteit is enorm. Het ene moment kan ik bij de Rotaryclub zitten, het volgend moment bij een uitdeelpunt van de voedselbank.

Daarnaast word ik aangesproken door de vraag hoe je in een stad als deze de relevantie en de urgentie van het christelijk geloof vorm kunt geven. Hoe kunnen de directeur van Unilever én een klant van de voedselbank beiden door het Evangelie worden aangesproken? Ik denk dat er in de theologie nog te weinig is nagedacht over het Evangelie in relatie tot grootstedelijke vraagstukken.

Ooit hoop ik daar zelf verder studie naar te doen. Onlangs heb ik met een groep predikanten het boek ”Centrum-kerk” van Tim Keller gelezen, dat hierover gaat. Het is mooi om daar met voorgangers van vrijgemaakt gereformeerd tot evangelisch en van pinkstergemeenten tot PKN over te praten.”

Welke achtergrond heeft u zelf?

„Ik bezoek met mijn vrouw en onze drie dochters de Kerk van de Nazarener, een evangelische gemeente die voortkomt uit het denken van John Wesley. Daar ben ik niet grootgebracht; als kind ging ik met mijn ouders en vier zussen naar een baptistengemeente.

Ik herinner me nog levendig dat de discussies thuis op zondag bijna altijd over hetzelfde gingen: wat heeft mijn buurman aan de preek van vanochtend? Vaak had hij daar niets aan, vond mijn vader. Hij kan daar erg boos over worden – hoewel dat nu iets minder is, nu hij de zeventig is gepasseerd. Maar nog altijd ergert hij zich enorm als de boodschap van de kerk niets met de wereld te maken heeft.”

Uw vader en moeder, Sjaak en Clara Sies, zijn de oprichters van de eerste Nederlandse voedselbank. Het omzien naar anderen zat er in het ouderlijk gezin diep in?

„Absoluut. Een typerende uitspraak van mijn vader is: Wie niet kan delen, kan niet vermenigvuldigen. De waarde daarvan heb ik altijd met me meegedragen.

Ik heb het voorrecht dat lieve ouders me hebben opgevoed. Ook heb ik een goed stel hersens gekregen en ben ik in Nederland geboren. Dat zijn drie dingen waar ik zelf niets voor gedaan heb. Ik ben ervan overtuigd dat die voorrechten ook verplichtingen met zich meebrengen, zeker voor een christen.”

Toch was het thuis niet altijd een vetpot. Uw moeder zei ooit in deze krant dat ze uw 14e verjaardag noodgedwongen vierde met kaarslicht. Jullie dachten dat het voor de sfeer was.

„Terwijl de werkelijke reden was dat de elektriciteit was afgesloten. We konden de rekening niet meer betalen. Toen heb ik dat niet in de gaten gehad. Dat is altijd de kunst van mijn ouders geweest: met het weinige dat ze hadden bleven ze mooie dingen doen.”

U had als kind nooit de neiging om te klagen over de gebrekkige financiële middelen?

„Natuurlijk heb ik discussies gehad over het feit dat ik merkschoenen wilde hebben. Welke tiener niet? Maar ik heb nooit het idee gehad dat mij tekort werd gedaan.

Sowieso kijk ik liever omhoog. Als je in dit land een modaal salaris verdient, hoor je bij de 5 procent rijkste mensen ter wereld. Toen ik geboren werd, gingen er tegelijk kinderen dood in Afrika. Ik heb geen antwoord op de vraag waarom. Maar ik weet wel dat ik me voor anderen wil inzetten die het minder goed hebben.”

Als werknemer bij Youth for Christ zette u onder meer The Mall op, een populair jongerencentrum in de Millinxbuurt. Hoe houd je in zo’n context het Evangelie overeind? Waar ligt voor u de grens?

„Voor een antwoord op die vraag kijk ik het liefst naar wat Jezus deed. Hij was God en werd mens. Ik heb me weleens afgevraagd: Waarom kwam Jezus eigenlijk als baby naar de wereld? Van de eerste dertig jaar van Zijn leven weten we vrijwel niets. Mijn antwoord is: Hij heeft zich in die dertig jaar volledig aangepast aan zijn omgeving, op het punt van zondigen na. Was Hij als 30-jarige gekomen, dan hadden we ons nooit met Hem kunnen identificeren.

Zo wil ik ook het Evangelie vertegenwoordigen; als Jood onder de Joden en Griek onder de Grieken. Ik ben niet bang voor mijn omgeving. Tegelijk wil ik niet naïef zijn; ik ken mijn eigen hart en weet dat ik op sommige punten gevoelig ben. Maar toch: in de vorm is heel veel ruimte. Want Jezus zong ook geen psalmen op hele noten, en zeker niet met een orgel. Er is niks mis mee om dat te doen, maar uiteindelijk is die vorm niet het Evangelie.

Voor mij zijn initiatieven zoals The Mall vooral manieren om relaties aan te knopen met anderen, zonder dubbele agenda. Dan komt er vertrouwen, en van daaruit kun je je leven en het Evangelie delen.”


Levensloop Setkin Sies

Setkin Sies (7 oktober 1972) groeide op in Rotterdam, hoewel hij in Capelle aan den IJssel geboren werd. Hij is de oudste van vijf kinderen van Sjaak en Clara Sies, de oprichters van de voedselbank. Na een studie theologie in Leuven ging Sies aan de slag als jongerenwerker, onder meer bij Youth for Christ. Daar zette hij The Mall op, een nieuw initiatief voor jongeren. Sinds 2010 is hij voorzitter van de gecombineerde fractie ChristenUnie-SGP in Rotterdam, die één zetel heeft in de raad. Daarnaast werkt hij voor Rotterdam United, dat kerkelijke initiatieven met elkaar wil verbinden. Sies is getrouwd en heeft drie dochters.