SCP-rapport: Geen ruk naar rechts

2

Van de veelgehoorde ruk naar rechts in de maatschappelijke opinie is geen sprake, concludeerde het Sociaal en Cultureel Planbureau (SCP) maandag. Belangrijkste argumentatie daarbij is dat opvattingen over morele kwesties, het milieu, de multiculturele samenleving en de Europese Unie sinds 1990 niet noemenswaard zijn verschoven.

De steun voor de vrijheid van meningsuiting steeg tussen 1970 en 1990, maar zweeft intussen weer rond het niveau van 1970. Het komt erop neer dat een kleine 70 procent van de bevolking meent dat eenieder vrij is om in het openbaar te zeggen of te schrijven wat hij wil. Een verschil is wel dat sinds 2008 meer mensen uit de rechterkant van het politieke spectrum de vrijheid van meningsuiting zijn gaan steunen. Waarschijnlijk willen zij daarmee onderstrepen dat Nederlanders emancipatoire waarden en de scheiding van kerk en staat vaker publiekelijk moeten verdedigen ten opzichte van moslims.

Ondanks de vluchtelingencrisis blijft een meerderheid van de bevolking (een kleine 80 procent) van mening dat Nederland mede-verantwoordelijk is voor het bieden van hulp. Ook de opvattingen over de mate van inspraak die burgers moeten hebben op het overheidsbestuur zijn stabiel. Hierop is één uitzondering: het referendum lijkt na het Oekraïnereferendum van 2016 uit de gratie. De steun voor volksraadplegingen daalde van 82 procent in 2014/2015 naar 69 procent in 2016/2017. Vooral de hogeropgeleiden keren zich af van het bindend referendum. Onder hen daalde de steun hiervoor van 80 procent in 1998 naar 46 procent in 2017.

Opvallend is dat slechts 12 procent van de burgers nog (zeer) veel vertrouwen zegt te hebben in kerken en religieuze organisaties. Kerken zijn daarmee hekkensluiter; na de rechtspraak (44 procent), het bedrijfsleven (36 procent) en de regering (18 procent). Het vertrouwen in de regering oogt bijzonder laag, maar het SCP-rapport laat tegelijkertijd zien dat 49 procent haar bij het uitdelen van een rapportcijfer wel een voldoende geeft. Bovendien, als het gaat om het vertrouwen in het parlement scoort Nederland bij de Europese top. Andere koplopers zijn Zweden, Luxemburg, Finland, Duitsland, Denemarken en Malta. Griekenland en Tsjechië sluiten de rij.

Leve het nieuwe werken?

Het nieuwe werken is een van de modewoorden van de laatste jaren: lekker zelf bepalen waar je werkt (niet per se vanachter je bureau) en hoe je je tijd indeelt. Sommige bedrijven passen er zelfs hun huisvesting op aan: kleiner en met meer flexplekken. Maar wat blijkt? De flexibiliteit van een doorsnee werknemer om zijn of haar eigen werkttijd in te delen, is de laatste jaren maar nauwelijks groter geworden. Alleen de groep telewerkers is tussen 2008 en 2016 iets gegroeid; van 12 naar 16 procent.

Dat mensen door de toenemende mogelijkheden tot telewerken autonomer zouden worden, gaat dus niet op. Het enige wat blijkbaar kan worden vastgesteld is dat telewerken vooral voor werknemers die toch al autonoom waren een extra optie geworden is.

Er zijn verder aanwijzingen dat grosso modo vooral de nieuwste generatie zzp’ers (consultants, ICT’ers of bouwvakkers) het nieuwe werken praktiseert, concludeert het SCP. Ruim 16 procent van alle werkenden behoort inmiddels tot deze categorie; een groei van 3 procent ten opzichte van 2006. Zij verrichten werk dat anders door een werknemer met veel tot zeer veel autonomie zou zijn gedaan.

Het risico op serieuze burn-outklachten van zzp’ers is trouwens toegenomen, maar is met zo’n 8 procent nog altijd lager dan dat van werknemers (ruim 14 procent).

Ook opvallend: werknemers van 25-34 jaar verwachten gemiddeld te kunnen stoppen op de leeftijd van 66 jaar en een paar maanden, terwijl hun AOW-leeftijd naar het zich laat aanzien dan toch echt rond de 71 ligt.

Participatiesamenleving

Betekent stilstand achteruitgang? In bepaalde opzichten wel, vindt het SCP. En stilstand is er tot op zekere hoogte; zowel ten aanzien van de maatschappelijke participatie van Nederlanders als met betrekking tot hun geefgedrag.

Wat de maatschappelijke participatie betreft; met gemiddeld 0,9 uur vrijwilligerswerk per Nederlander per week scoort ons land nog altijd hoog. Maar, tekent het SCP aan, terwijl het aantal vrijwilligersuren in tien jaar tijd zelfs nog iets is gestegen (in 2006 ging het om 0,7 uur), nam het percentage vrijwilligers amper toe. Vergeleken met tien jaar terug zijn vrijwilligers dus wat meer tijd kwijt met hun vrijwilligerswerk.

Dan is er nog het gegeven dat het percentage vrijwilligers dat zich inzet voor buren, bejaarden en gehandicapten de laatste drie jaar is gedaald van 15 naar 11 procent. Wellicht wijst deze daling op een geleidelijke overbelasting van mantelzorgers, aldus het SCP, dat erop wijst dat er juist op de zelfredzaamheid van bejaarden en andere groepen een groter beroep wordt gedaan.

Stilstand is er ook ten aanzien van de donaties aan de cultuursector. Het gaat nog steeds om 7 procent van alle giften, net als in 2011, terwijl er op deze sector wel stevig bezuinigd is.

Meekomen met een snel veranderende samenleving is niet voor iedereen weggelegd, waarschuwt het SCP. Wie in de voorhoede zat en wie tussen de achterblijvers belandde, wordt minder dan vroeger bepaald door het wel of niet hebben van economisch kapitaal en het opleidingsniveau. Veel draait ook om intelligentie, leer- en innovatievermogen, creativiteit en flexibiliteit. Wie niet meekan, moet terugvallen op zijn sociaal netwerk, maar daar zitten grenzen aan. Het rapport: „Overbelaste mantelzorgers, familieleden of vrienden willen echt wel bijspringen, maar haken af als het om langdurende of intensieve ondersteuning blijkt te gaan.”