Schoonheid: To the lighthouse

beeld Sarah van der Maas
4

Herfst – het eenzame jaargetijde. Mensen haasten zich voor de wind uit naar huis, op de stoepen wordt gejacht, het kerkplein waait schielijk uiteen. In de tuinen trekken de egels zich terug in hun houthopen. De taal kent zelfs geen woord dat ermee rijmt.

Terwijl de najaarszon langzaam zijn kracht verliest, verplaatst het leven zich dieper naar binnen, krult zich op in zichzelf als een relmuis. Pyjama aan, plaid op de bank, kaarsjes erbij, Pringles op schoot... Laat maar komen, die winterslaap.

Het idee van 24 weken regen en schemering drukt zwaarder op ons gemoed dan we onszelf willen bekennen. Zo’n 40 procent van de bevolking voelt zich in de herfstmaanden minder energiek en levenslustig dan op zonnige zomerdagen. De zin om iets te ondernemen glipt ons door de vingers. Een rondje met de hond? Kijk hoe het miezert! Strijken of stofzuigen? Vanmiddag misschien.

Toch is dat precies wat ons als niets anders uit onze najaarsdip haalt. Actie! Stroop op die mouwen, trek aan die jas. Een flinke strandwandeling doet meer voor het humeur dan drie chocoladerepen. Licht en uitzicht, dat drijft de nevelen uit de nadagen weg.

De wind striemt zand en wangen. Kuivende duinen zetten zich schrap tegen de kust. De zee vult je voetstappen, zodat op je schreden terugkeren onmogelijk wordt en je blik naar de einder wordt gedwongen. Daar, aan de landpunt, priemt een rood-witte vinger uit de horizon omhoog.

Misschien is ook dát een najaarskwaal. Je leunt tegen de bries en staart naar de vuurtoren, de ronde ruitjes, de zacht wiegende balustrade, het lichthuis vol lampen en spiegels. Onweerstaanbaar glijden je gedachten terug naar je chips en je dekentje, maar de ramen van je huiskamer hebben hun hoeken verloren en het verregende gazon is in een schuimend grijsgroen weggezakt. De merel in de rozenboog gooit zijn snavel in de lucht en begint te krijsen. Huilend gooit de wind zich tegen de muren aan.

Het vasteland is 10 meter diep en een zeemijl ver weg.

beeld Sarah van der Maas

Wonen in een vuurtoren heeft al eeuwenlang tot de verbeelding van het mensdom gesproken. Niet alleen verschenen er talloze romans, dichtbundels en novellen die zich afspeelden tegen de scheiding van land en zee, ook de historische annalen verhalen overvloedig van storm en schipbreuk, nacht en ontij, heldenmoed en kluizenaarschap. Dagen, soms wekenlang raakten wachters door het woeste water van de buitenwereld afgesloten. Het baken werd beeldmerk van het isolement.

Daar ligt een paradox. In zijn eenzaamheid is de vuurtoren namelijk een knooppunt van mensenlevens, de lichtspil waar de oceaan om draait. Het schip zoekt zich een weg in zijn stralen, een lichaam dat blind achter de ziel aan vaart. De toren is een houvast voor een volk op drift. Als zijn vlam dooft, zit iedereen in het donker.

Stop je lamp onder een pluchen plaid, brullen de herfststormen die de wenteltrappen schudden. Blijf binnen en verroer je niet, al dreig je te stikken in je eigen walmen. Het is zo veel makkelijker te roken dan te branden!

Gelukkig hoef je zelf geen olie op het vuur te gieten. Een spiegel in de hand van de vuurtorenwachter wordt altijd zo gedraaid dat hij de schittering vangt. Wie niet gloeien kan, mag doorgeven – regels van het lichthuis.

Natuurlijk blijft het niet altijd stormen. Na verloop van tijd zakken de golven ineen, rollen zich op en wiegen in slaap. De springvloed sterft weg. Als een witte ster ligt de toren tegen de hemel aan.

Wees daarom niet bang voor de donkere dagen. Kom onder je deken vandaan, trek de gordijnen open, zie hoe de regen de ramen zeemt. Een schip vergaat niet als de wachter waakt. Zolang het licht brandt, is er leven.

beeld Sarah van der Maas

Sarah van der Maas (1995) studeerde algemene en sociale geschiedenis in Leiden en Groningen. Verhalen vertellen is haar passie: of die zich nu afspelen in een ver en vreemd verleden of om de hoek van de straat. In september verscheen haar eerste historische roman: ”Nooit meer wachten”.