Proefschrift Hoving: Beul van Amersfoort sloeg niet eigenhandig gevangenen dood

Op een heldere winterochtend eind november 1945 werd in alle vroegte op aanwijzing van Kotalla (derde van links) op de Leusderheide bij Amersfoort gegraven naar stoffelijke resten van gefusilleerde gevangenen. beeld W. Plasmeijer/Archief Eemland
4

”De beul van Amersfoort” was de bijnaam van Josef Kotalla. Absoluut terecht, bevestigt nieuw historisch onderzoek. Maar anders dan tot dusver wordt aangenomen heeft de SS’er niemand doodgeslagen of doodgeschopt.

Een monster, een mensch-duivel en een beestmens noemden oud-gevangenen en voormalige verzetskranten hem. „Veertig jaar na zijn dood geldt hij nog altijd als de belichaming van het kwaad. Een slechtere Duitser zou er in de oorlog niet hebben rondgelopen in Nederland”, zegt historicus en journalist Richard Hoving. Hoving verdedigde donderdag zijn proefschrift aan de Rijksuniversiteit Groningen: een biografie van Josef Kotalla, een van de Duitse oorlogsmisdadigers die bekendstonden als de Drie van Breda.

Studies en ooggetuigenverslagen over Kotalla belichten vooral de oorlogsjaren en zijn tijd in gevangenschap. Hoving schetst en analyseert echter voor het eerst gedetailleerd het gehele leven van Kotalla. Diens achternaam is officieel zonder umlaut en niet Kotälla, zoals hij doorgaans wordt genoemd.

Als plaatsvervangend commandant van het Polizeiliches Durchgangslager Amersfoort was Kotalla buitengewoon wreed. „Hij ging een stap verder dan de andere kamp-SS’ers en ontwikkelde zijn eigen methode om te kwellen en te mishandelen”, aldus Hoving. „Zo had hij de gewoonte gevangenen hard tegen hun geslachtsdeel te trappen, waardoor hun testikels opzwollen en ze dagenlang pijn hadden. De Kotallatrap was niet alleen uiterst pijnlijk, maar ook vernederend.”

SS’er Josef Kotalla in 1942-1943. beeld BeeldbankWO2/NIOD

Levenslang

Kotalla leidde meerdere vuurpelotons. Het Bijzonder Gerechtshof in Amsterdam veroordeelde hem eind 1948 na een kort proces ter dood voor het mishandelen en executeren van tientallen gevangenen. Koningin Juliana verleende Kotalla in 1951 gratie, zijn straf werd daarmee omgezet in levenslang. In 1979 stierf hij in de koepelgevangenis in Breda.

Het algemene beeld is dat Kotalla compleet gestoord was. Hoving nuanceert dat. „Zijn persoonlijke leven was aan de vooravond van de Duitse inval in Polen al mislukt. Kotalla groeide op in het door Polen en Duitsers betwiste Opper-Silezië. Hij doorliep alleen de lagere school en bleef tweemaal zitten. De banen die hij daarna had, waren geen succes. Het uitbreken van de Tweede Wereldoorlog was een zegen voor hem. De SS bood hem de kans om zichzelf te bewijzen tegenover zijn vader en zijn jongere broers.”

Kotalla had een dwangneurotisch karakter, een gevolg van een hersenbeschadiging die hij op 9-jarige leeftijd opliep. De tegenslagen en mislukkingen vormden hem tot een onevenwichtige man met een groot minderwaardigheidsgevoel, stelt Hoving. „Uit alle psychiatrische rapporten die tijdens zijn gevangenschap werden opgesteld, kwam hij naar voren als een persoon die weinig oog had voor de gevoelens van anderen. Laat staan dat hij zich in hen kon verplaatsen. Zijn wrede optreden werd ook grotendeels in de hand gewerkt door de omstandigheden waaronder hij in Kamp Amersfoort werkte en zijn ambitie om hogerop te komen. Geweld bracht hem macht en aanzien.”

De bewakers in Kamp Amersfoort traden volgens Hoving veel gewelddadiger tegen de gevangenen op dan kampcommandant Berg van hen verwachtte. „In die afgesloten gemeenschap was er sprake van een ”Umbau des Gewissens”: de kamp-SS’ers zagen na verloop van tijd geen kwaad in hun gewelddadige optreden, terwijl dat buiten hun eigen wereld nog altijd als barbaars werd gezien.”

Kotalla onttrok zich aan de verantwoordelijkheid voor zijn optreden door de mishandelingen en executies te zien als onderdeel van de taak die hem van hogerhand was opgedragen, schrijft Hoving. „Hij hield strak vast aan de regels waaraan gevangenen zich moesten houden, overtreders moesten worden gestraft.”

Niet eerlijk

In zijn biografie levert Hoving kritiek op de naoorlogse rechtspleging. „Het proces tegen Kotalla was niet eerlijk en evenwichtig. Voormalige gevangenen namen wraak en legden valse verklaringen af voor het Bijzonder Gerechtshof. Kotalla werd veroordeeld voor het doodslaan van gevangenen, maar bewijs hiervoor werd tijdens de rechtszaak niet geleverd. Onschuldig was Kotalla zeker niet, maar de beul van Amersfoort sloeg niet eigenhandig gevangenen dood.”

Richard Hoving. beeld Richard Hoving

Nader onderzoek leverde Hoving wel een mogelijk slachtoffer op: een 30-jarige tapijtwever stierf negen dagen na een strafappel aan zijn verwondingen. „Maar of het Kotalla was die hem de fatale klappen toediende of een van zijn twee Nederlandse handlangers blijft onduidelijk.”

Een constante hoop om vrijgelaten te worden domineerde de gevangenisjaren van Kotalla. Onder druk van het voormalig verzet en oorlogsslachtoffers weigerde de Nederlandse regering hem te laten gaan. Kotalla was de enige Duitse oorlogsmisdadiger die in gevangenschap in Nederland overleed. Een stelling bij Hovings proefschrift luidt: „Bijna 31 jaar na zijn veroordeling werd het doodvonnis tegen Josef Kotalla alsnog voltrokken in de koepelgevangenis in Breda.”