„Posttraumatische stoornis onder overlevenden watersnood”

Watersnoodramp 1953
Stress na de stormvloed. Over de psychische gevolgen van de watersnood van 1953 en de maandenlange evacuatie is weinig vastgelegd. beeld Museum Het Land van Strijen
2

Een aantal overlevenden van de watersnood in 1953 moet een posttraumatische stressstoornis (PTSS) hebben gehad. Niemand noemde het echter zo. Hebben de artsen in het getroffen gebied geen verband gezien tussen de ramp en het hoge aantal depressies en zelfmoorden? Geen van hen schreef dat op.

Het zijn conclusies van huisarts Marjan Meekma-van der Horst –opgegroeid in Middelburg– in het jongste nummer van het Nederlands Tijdschrift voor Geneeskunde. Tegelijk citeert ze een dokter uit Stavenisse die in 1974 wel degelijk gevolgen van de stormvloed opmerkte: als het hard waaide, zat zijn wachtkamer vol. Stormneurose, noemde huisarts Van der Elst het.

Intussen waren er ook uit de achterliggende twee decennia cijfers beschikbaar die erop duidden dat er iets aan de hand was. Het ligt voor de hand dat aan een verband met de watersnood is gedacht, ook al zijn er geen publicaties over beschikbaar. Er waren in Zeeland gemiddeld tweemaal zoveel depressies als in de rest van het land. Ook het aantal zelfmoorden was hoger. Hetzelfde gold voor het aantal drankdelicten. „Vele gevallen zijn ernstig en komen voor in milieus (hoogopgeleid en religieus) waar men het niet verwacht”, constateerde het Zeeuws Consultatiebureau voor Alcohol. In Stavenisse gebruikte een op de zes inwoners kalmerende middelen.

Overlevenden raakten de beelden van de ramp niet kwijt; beleefden de gebeurtenissen in hun gedachten soms steeds opnieuw. Meekma citeert er voorbeelden van: „Als het stormt, komt alles weer boven.” „Ik zie nog steeds mijn broertje meegezogen worden door het water en word dan gillend wakker.” „Er waren vrouwen in het dorp die hun kind verloren hadden en die nooit meer hebben gelachen.” De emoties kunnen zo heftig zijn geweest dat ze uit zelfbescherming werden verdrongen. In het rampgebied –veel groter dan het Zeeland waar Meekma steeds over spreekt– droeg ook de volksaard volgens haar niet bij aan het tonen van gevoelens: „nuchterheid en geslotenheid.”

Verdringen

Geuren, geluiden, harde wind en hoogwater herinnerden aan de stormnacht. Ook de maandenlange evacuatie veroorzaakte vaak veel stress. Later vermeden mensen de dijk in hun dorp, of ze zaten de hele nacht op als het hard waaide. Sommigen pakten dan een vluchtkoffer in, of legden een bootje klaar.

Hulpverlening was er nauwelijks. Het maatschappelijk werk bestond voornamelijk uit wijkverpleging. In heel Zeeland was één psychiater werkzaam en in de rest van het rampgebied zullen het er weinig meer zijn geweest. De situatie was vergelijkbaar met de nasleep van de Tweede Wereldoorlog en de situatie van soldaten die uit Nederlands-Indië terugkeerden. „De hele Nederlandse bevolking was trauma’s aan het verdringen”, zegt Meekma. Zoals mensen na de bevrijding „werden aangespoord om zonder zelfbeklag de draad weer op te pakken”, zal dat ook verwacht zijn van degenen die de watersnood meemaakten, „de grootste naoorlogse ramp die ons land getroffen heeft.”

Hoeveel begeleiding ambtsdragers hebben verleend is nergens vastgelegd. Daarom is Meekma’s stelling „de kerkelijke instanties deden wel pastoraal werk, maar zij benadrukten toch vooral dat de ramp een straf van God was” ongefundeerd, net als de conclusie dat dit schuldgevoel van „de orthodoxen” negatieve stemmingen en depressies met zich meebracht.

Hoewel een causaal verband tussen de watersnood en PTSS moeilijk vast te stellen is, kan worden gesteld dat alle ingrediënten om PTSS te ontwikkelen na de ramp aanwezig waren, stelt Meekma vast. Op grond van de cijfers „valt bijna niet aan de conclusie te ontkomen dat er mensen zijn die een ziektebeeld hebben ontwikkeld dat we nu PTSS zouden noemen.”

2018-09-12-pkFLE02-Pkflexhoofdfoto12-6-FC_webToen het water kwam

2018-07-17-REG1-piloot-3-FC-V_webFotoexpositie: watersnood 1953 ontwricht Dientjes leven