Oudemirdum, waar de mensen vergrijzen, maar wel langzaam

Christelijke dorpen
Foto Anton Dommerholt
5

Eens in de vijf jaar is er een reünie. Van heinde en verre komen Oudemirdumers dan naar het Friese dorp. Uit België, Canada, Denemarken, Nieuw-Zeeland en de Verenigde Staten. Oudemirdum betekent voor hen thuiskomen in Gaasterland, het groene hart van Friesland. „Wat een herkenning, wat een gezelligheid en wat een weer”, meldde it Pompeblêd.

Jelle Twijnstra kwam ook thuis in Oudemirdum, al was het na zijn pensionering. Geboren en getogen in Oudemirdum ging hij psychologie studeren aan de Vrije Universiteit in het verre Amsterdam. Hij bleef daar dertig jaar aan een school verbonden. Maar zijn dorp lokte. „In de weekenden was ik vaak in Oudemirdum en nu ben ik er weer gaan wonen. Hier ben ik verankerd, ik praat met iedereen en ik ken iedereen”, vertelt Twijnstra (1935) terwijl hij koffie met een eierkoek presenteert.

Vanuit zijn stoel kijkt hij de Jan Schotanuswei af. Verderop bevindt zich de oudste kerk van Oudemirdum, De Fontein, gebouwd op de fundering van een eerdere uit de twaalfde of de dertiende eeuw die behoorde tot de abdij van Corvey in Duitsland. Links, tegenover de kerk, draai je de kasseien van De Brink op, het centrum van Oudemirdum met het zestien kamers tellende hotel-restaurant Boschlust, een paar eetcafés, een winkel met allerhande huishoudelijke apparatuur en het informatiecentrum annex VVV.

Klokkenluiden

Twijnstra zit in de redactie van it Pompeblêd, „met nijs ût en oer Aldemardum.” In dit bulletin komt de plaatselijke problematiek aan de orde en staat een verslag van het comité Gaasterlân-Sleat van Woord en Daad plus de reportage over de toneeluitvoering ”Groeten fan ’e Veluwe” in het dorpshuis.

In een volgende editie zal ongetwijfeld aandacht worden besteed aan het eerste bezoek van koningin Beatrix aan Oudemirdum, begin deze maand. De koningin bezocht er de boerderij van de familie Westra – de Betonpleats geheten. Hier wonen en werken twee generaties samen in een bedrijf waar innovatie, duurzaamheid en klassieke veeteelt met elkaar worden gecombineerd. Heel vooruitstrevend dus, terwijl de doorsnee-Oudemirdumer toch vrij conservatief van aard is. Twijnstra: „Hij is behoudend en over het algemeen vriendelijk en makkelijk in de omgang, een gemoedelijk volkje zijn wij.”

De open houding van de Gaasterlanders valt misschien te herleiden tot het feit dat de mensen hier vroeg in contact kwamen met de buitenwereld: via het IJsselmeer en het toerisme. Als puntje bij paaltje komt, staat de Oudemirdumer pal voor zijn zaak. Toen ‘import’ een paar jaar geleden erop aandrong de tijden van het klokkenluiden te veranderen, hielden de autochtonen voet bij stuk: de klok slaat om 8 uur, 12 uur en 16 uur en daarmee basta.

Bevindelijk

Vanouds draagt het geloofsleven van sommige protestanten in Gaasterland een orthodox en bevindelijk karakter. Daarvan getuigt de gereformeerde gemeente van Oudemirdum, die in de volksmond de Boskerk heet en in 1933 werd gesticht. Het kostersechtpaar Bauke en Jacoba Folkertsma (geboren in respectievelijk 1929 en 1932) houdt het gebouw al 33 jaar schoon. Op de vensterbank van hun hoekwoning aan de Kerkstraat strijden ficussen om de voorrang; op de bank liggen knuffels – speelgoed voor 28 kleinkinderen en 10 achterkleinkinderen van hun zes dochters en ene zoon.

De (vacante) gereformeerde gemeente telt 117 belijdende leden en 95 doopleden, weet Kobe Folkertsma. „We groeien nog steeds. Negen baby’s en dat is dan weer een busje vol.” In de zomer zijn er op zondag vier diensten. Het is vooral een gemeente met een streekfunctie, voegt Bauke Folkertsma eraan toe. In de vakanties staat de camping vol met refo’s en dromt men ter kerke. En nee, „wij lezen de Bijbel niet in het Fries en evenmin hoort u bij ons een preek in het Fries. Dat is bij ons niet gebruikelijk.”

Veel leden van de gereformeerde gemeente sturen hun kroost naar de reformatorische basisschool in Emmeloord. Tot nu toe betaalt de gemeente de vervoerskosten, een kostenpost waarop in crisistijd zal worden bezuinigd. Het heeft al in de krant gestaan, zegt Anneke Westra, dochter van de Fol­kertsma’s en moeder van zes kinderen. De Westra’s sturen de kinderen naar de christelijke school in Oudemirdum. Anneke Westra heeft daar een helder verhaal bij. „Dorpsscholen hebben het al zo moeilijk. Wij vinden het belangrijk dat de kinderen opgroeien in de leefgemeenschap van het dorp. Bovendien hoort de christelijke opvoeding thuis te gebeuren.”

Molukkers

Van een heel ander geloof waren de Molukkers die tussen 1954 en 1969 in Gaasterland verbleven. Ze woonden in barakken in het woonoord Wyldemerk. De meesten waren moslim. In 1956 werd er een moskee op het terrein in gebruik genomen. Het was er een in oosterse stijl, met een minaret.

De aanwezigheid van de Molukkers was voor veel Oudemirdumers best even wennen. „Wij woonden vrij dicht bij het kamp en tijdens de ramadan hoorden we altijd van die vreemde geluiden. Wij vroegen ons dan af wat er bij die ”wylden” gebeurde”, vertelt een omwonende tegenover de samenstellers van het boekje ”Zwerven door Gaasterland”. „Het waren zulke lieve mensen”, memoreert Twijnstra, die veel Molukkers begeleidde. Na het vertrek van het laatste Molukse gezin in 1969 werden de barakken en gebouwen gesloopt, evenals de minaret en zodoende herinnert niets in Oudemirdum meer aan de Molukkers.

Sociale samenhang

Dirkje Gijzen, „zeg maar Durkje”, woont met man en drie kinderen in de ‘nieuwbouw’ van het dorp die er zo’n dertien jaar geleden werd gebouwd. Twee-onder-een-kappers, aan straten met veel sociale samenhang. Durkje (1964) is secretaresse van een van de vijf buurtcomités van Oudemirdum. „We organiseren het jaarlijkse buurtfeest, de borrel met Kerst, buurtvolleybal en we doen mee met de Dirty Herrie Race op Koninginnedag.”

Voor de jeugd is het moeilijk in Oudemirdum een huis te kopen of te huren, vertelt ze. Het gevolg is dat jonge Oudemirdumers wegtrekken. Maar ze ziet ook dat jongeren na enige jaren terugkomen en een huis in het dorp kopen. „Ze kunnen niet zonder Oudemirdum”, lacht ze.

Voor het vervolgonderwijs zijn scholieren aangewezen op Leeuwarden, Groningen, Heerenveen, Sneek en Balk. Durkje spreekt uit ervaring als ze zegt dat er per kind een flink bedrag voor het openbaar vervoer moet worden neergeteld. Zelf heeft ze er nooit over gedacht Oudemirdum te verlaten. „Het is een prachtig dorp, waar men lief en leed met elkaar deelt en waar een positieve vorm van sociale controle heerst.”

Te stil in de winter

Er was een tijd dat er nogal wat mensen uit het westen van het land in het idyllische plekje neerstreken. Gijzen: „Sommigen van hen gingen vrij snel weg omdat ze het in de winter te stil vonden en ja, daar moet je tegen kunnen.” In het centrum wordt nu met man en macht gewerkt aan de bestrating rond het nieuwe dorpshuis. Veel inwoners hebben de handen flink uit de mouwen gestoken en nu staat het er: een multifunctioneel gebouw. „Je doet dat met elkaar.”

Durkje Gijzen is trots op Oudemirdum met z’n interessante ontstaansgeschiedenis. De naam Oudemirdum komt voor het eerst voor in 1329, maar de eerste nederzettingen bestonden al voor 850. Het dorp was in die tijd bekend onder de naam Meretha, wat later een verandering onderging van Merthen, Maerdum, Merthum en Mirdum naar Oudemirdum.

Het dorp, niet groter dan 1450 inwoners, ligt in een intieme kom van een uitbundig groen en lichtglooiend landschap van weilanden en akkers, afgewisseld met bossen. Ongeveer 1,5 kilometer ten zuiden van het dorp Oudemirdum ligt het IJsselmeer, dat de ene dag vredig en spiegelglad oogt en op een andere dag woest schuimende koppen aan de buitenwereld toont.

Klif

Door afslag van de stuwwal door de voormalige Zuiderzee vormden zich aan de zuidkust van Friesland voor Nederland unieke kliffen, zoals het Oudemirdumer Klif. Van oudsher is Oudemirdum een agrarisch dorp met een gekoppelde woon- en werkfunctie. Stoere tractors trekken brullend door het dorp. Er is veel aandacht voor het toerisme.

Voor de dagelijkse boodschappen is Oudemirdum zelfvoorzienend. Het heeft een bakker, een kapper, een supermarkt, een drogist en een slager. Voor andere boodschappen reizen de dorpelingen naar Balk en Lemmer. Hoewel door bevolkingskrimp en het verdwijnen van diverse voorzieningen zoals scholen en winkels de leefbaarheid in kleine woonkernen onder de druk staat, valt het in Oudemirdum mee. „We vergrijzen wel, maar langzaam. Er is nog best veel jeugd”, constateert Jelle Twijnstra, waarna hij zich tevreden in zijn pluche stoel nestelt.

Dit is het derde artikel in een serie van twaalf over christelijke dorpen. De afleveringen verschijnen iedere laatste zaterdag van de maand in Accent.


Het nieuwe dorpshuis

Stichting Doarpswurk is een organisatie die de leefkwaliteit in dorpen op het Friese platteland bevordert. Dorpsbelangen en besturen van dorpshuizen en mfc’s (multifunctionele centra) vormen de voornaamste doelgroep. „We ondersteunen en stimuleren veranderingsprocessen in dorpen en we geloven dat ontmoeting tussen dorpsbewoners essentieel is voor het onderhouden en de groei van sociale cohesie en sociaal kapitaal”, zegt Minne Hovenga van Doarpswurk.

In Oudemirdum was Doarpswurk betrokken bij de begeleiding van de bouw van het dorpshuis. „Het multifunctionele centrum in Oudemirdum draagt bij aan het behoud van de leefbaarheid in het dorp. Er ligt een stevig financieel fundament onder dit project. De bouw bleef binnen de investeringsraming en de exploitatiebegrotingen zijn positief. De ervaring is dat een nieuwe accommodatie nieuwe activiteiten aantrekt en in het slop geraakte evenementen weer laat opbloeien. Met gebruikers zoals een zorg­instelling en huisartsen zijn meerjarige huurovereenkomsten afgesloten, wat vaste inkomsten oplevert. Bovendien is gekozen voor een pachtconstructie, die een beheersconstructie op basis van vrijwilligers met een mogelijk tekort aan vrijwilligers voorkomt.”

Kortom, Oudemirdum heeft, in samenwerking met de gemeente, een prachtige multifunctionele accommodatie gekregen dankzij de inzet van vele vrijwilligers, aldus Hovenga. „De degelijkheid van het plan staat borg voor een duurzame ontmoetingsplaats voor Oudemirdum die bijdraagt aan de leefbaarheid.”