Onderzoeker Soroush: Salafist respecteert Nederland niet

Onderzoeker Mohammad Soroush met zijn proefschrift. „Als je geen eisen stelt aan salafisten en ze de ruimte geeft, zullen ze steeds brutaler worden.” beeld Beeld Werkt, Marie-Thérèse Kierkels

Ongelovige. Satan. Spion. Een salafistische imam had weinig vleiende woorden over voor onderzoeker Mohammad Soroush. De geboren Iraniër ontdekte dat jonge aanhangers van deze islamitische stroming weinig goeds leren over Nederland. Dinsdag promoveerde hij. „Aan salafisten moet je eisen stellen.”

De Iraanse Nederlander (1961) woont met zijn vrouw en twee tieners in een rijtjeswoning in Tilburg. Zijn echtgenote –zwarte hoofddoek op– doet open. „Kom verder”, zegt ze met toegestoken hand. De woonkamer is feestelijk versierd met slingers. Op een tafel staan verse bloemen. Aan de muur hangt een schilderij met een herfsttafereel. Vanuit de keuken laat de vrouw weten dat haar man zich heeft vergist in het tijdstip. „Maar hij is onderweg.”

Ongeveer gelijktijdig met de thee, koekjes en dadels arriveert de kersverse doctor. „Het Reformatorisch Dagblad is nieuw voor mij, maar ik ken wel gereformeerden”, brandt hij los. Intussen wist hij met een handdoek het zweet van zijn gezicht. „Toen ik net in Nederland was en in Zwolle woonde, ontmoette ik daar ds. S. van der Zee. Hij leerde mij een van mijn eerste cruciale lessen in Nederland: respect hebben voor andersdenkenden. Precies dat hebben salafisten niet.”

Soroush ontvlucht Iran vanwege zijn activiteiten voor moedjahedien, een organisatie die zich verzet tegen het Iraanse bewind. In totaal zit hij 4,5 jaar gevangen. Door martelingen loopt hij verwondingen op aan zijn linkeroor en ogen. Hij moet een hoornvliestransplantie ondergaan om weer te kunnen zien. „Traumatisch. Maar ik heb het verwerkt.”

In Nederland pakt hij zijn studie sociologie weer op. Voor zijn masterscriptie in 2005 verdiept hij zich in salafistische jongeren. In 2013 start hij aan Tilburg University zijn promotiestudie naar de vorming van deze jongeren. Hiervoor bezoekt hij meer dan 100 keer 24 instellingen: 17 salafistische en 7 niet-salafistische.

Was u overal welkom?

„Bij de Tilburgse As-Soennahmoskee kenden ze mij al voordat ik mijn veldwerk begon. Ik vertelde dat ik een sjiitische achtergrond had, maar niets moest hebben van de Iraanse moellahs en niet fanatiek was. Ook zei ik dat ik meer wilde weten over het soennisme. Ik was welkom, maar werd niet vertrouwd. Imam Ahmad Salam, een heel brutale man, schold mij in het Arabisch uit voor ongelovige, satan en spion. Ik deed net of ik dat niet doorhad. Bij andere moskeeën vertelde ik niet wat ik kwam doen. Ik wilde observeren en vragen kunnen stellen. Als ik had gezegd wie ik was, had ik geen ruimte gekregen.”

U stelt dat salafisten niet loyaal zijn aan Nederland.

„Ze zijn sterk op de eigen gemeenschap gericht en creëren een vijandbeeld van Nederland. Tijdens preken, conferenties, cursussen en tafelgesprekken hoorde ik nauwelijks iets positiefs over ons land. Iemand noemde de samenleving „een giftige slang die constant op de loer ligt.” Allahs wetten gaan boven democratie. Salafisten zien zich als de enige ware moslims. Jongeren leren dat er met niet-moslims geen vriendschap mag worden onderhouden, behalve als deze erop gericht is de ander te bekeren. Als een niet-moslim groet met salam aleikum (salam betekent vrede, BP) mag deze slechts worden beantwoord met aleikum, want alleen moslims wens je vrede toe. Christenen een kerstkaart sturen is zonde, want slechts het Suikerfeest en het Offerfeest zijn volwaardige feesten. Ook is het een moslim niet toegestaan onder gezag van Joden of christenen te staan.”

Wat is het kardinale verschil tussen salafistische en niet-salafistische instellingen?

„Niet-salafisten verhouden zich doorgaans op een normale manier met hun omgeving en proberen hun steentje bij te dragen aan de samenleving. Salafisten daarentegen vormen met elkaar een soort verzetsbeweging.”

Volgens kenner Martijn de Koning groeit het salafisme hooguit licht.

„Daar ben ik het mee oneens. Ten opzichte van 2005 trekt de Tilburgse As-Soennahmoskee veel meer bezoekers. Ook cursussen en conferenties elders in het land worden veel beter bezocht. Geschat wordt dat er in Nederland 30.000 salafisten zijn, maar dat kan hoger liggen. Zo ontmoette ik tijdens mijn onderzoek vier mensen die er niet uitzien als salafist, maar het wel zijn. Ze werken bij de overheid. Ik denk dat zij daar fungeren als oren en ogen van de salafistische gemeenschap en gevoelige informatie doorspelen.”

Zijn salafisten gevaarlijk?

„Besturen van salafistische instellingen proberen te voorkomen dat hun jeugd aanslagen pleegt. Ze vrezen hun vrijheden kwijt te raken als dat wél zou gebeuren. Hoewel ik op dit punt voorzichtig ben, sluit ik niet uit dat die houding kan omslaan. Salafisten zeggen dat de politiek hun de oorlog heeft verklaard en dat politici een nieuwe kruistocht ondernemen tegen de islam. Dat is een voedingsbodem voor terreur.”

De Amsterdamse burgemeester Halsema wil niet samenwerken met salafisten. Verstandig idee?

„Deze stap getuigt van inzicht. We kennen salafisten inmiddels voldoende om te weten dat je met hen niet kunt samenwerken. Salafisten moet je niet behandelen als volwaardig partner met wie het geven en nemen is, maar je moet hun eisen stellen. Als je dat niet doet en hun de ruimte geeft, zullen ze steeds brutaler worden.”

U noemt zichzelf moslim. Gaat u nog weleens naar de moskee?

„Een enkele keer per jaar. Ik ben een liberale moslim.”