Niet elke Koranuitleg is koosjer

Siddiqui. beeld APA Foto, Sjef Prins
3

Joden en moslims in Nederland investeren al jaren in goede relaties. Toch konden ook zij niet voorkomen dat er een paar weken geleden in Rotterdam tijdens een demonstratie tegen Israël antisemititische leuzen klonken. Slagen zij er wel om de verhoudingen te verbeteren? Of kán een moslim die zijn geloof serieus neemt niet anders dan Joden haten?

Khaybar, Khaybar ya yahud, Jaish Muhammad, sa ya’ud (Joden, herinner je Khaybar, het leger van Mohammed keert terug), scandeerden pro-Palestijnse demonstranten op 22 juli in Rotterdam. Met onder meer deze antisemitische leus –die verwijst naar een slag tussen moslims en Joden in 629– protesteerden ze tegen het besluit van Israël om detectiepoortjes bij de ingang van de Tempelberg in Jeruzalem te plaatsen. Raadslid T. C. Hoogwerf (Leefbaar Rotterdam) trok met raadsvragen direct aan de bel. Het Centrum Informatie en Documentatie Israel (CIDI) deed aangifte.

joodmoslimvid

In een dubbelgesprek met auteur Natascha van Weezel in de Volkskrant van vorige week zaterdag uitte hoofdredacteur van het Nieuw Israëlietisch Weekblad Esther Voet haar zorgen. „Met het agressieve antisemitisme van allochtonen verdwijnt ook bij autochtone Nederlanders de schaamte. Dat wat lange tijd niet hoorde, mag weer.” Dit maakt Voet bang.

Van Weezel is er nog niet uit hoe diep de haat van moslims jegens Joden zit. Ze schrok onlangs toen ze in Auschwitz was met een groep jonge moslims en er tegen haar werd gezegd dat „dit soort dingen” nog steeds gebeurt, namelijk in Palestina. Pijnlijk, vindt de journaliste. „Ik heb echt wel oog voor het onrecht dat de Palestijnen wordt aangedaan, maar je kunt hun lot niet vergelijken met dat van de Joden tijdens de Tweede Wereldoorlog.”

Volgens veel kenners is Jodenhaat inherent aan de islam. Onder anderen de Amerikaanse journaliste Nonie Darwish stelt dat het in het hart van de islamitische theologie zit dat „vrede in de wereld pas bereikt zal worden als alle Joden van de aarde zullen zijn weggevaagd.” Volgens deze ex-moslima van Egyptische komaf wordt moslims van jongs af aan geleerd Joden te haten, omdat zij Mohammed hebben verraden. Darwish: „Zonder Jodenhaat zou de islam zichzelf vernietigen.”

Als dit klopt, is normaal samenleven tussen Joden en moslims dus onmogelijk. Immers: alleen moslims die op dit essentiële punt hun geloof niet serieus nemen, zouden dan vrede met Joodse medeburgers kunnen nastreven.

Mensen van het Boek

Imam Safeer Siddiqui (28) wil hier niet aan. De leider van de Ahmadiyya Moslim Gemeenschap in Nunspeet bestrijdt fel dat islamitische bronnen –de Koran en de overleveringen van Mohammed (Hadith)– aanleiding geven tot antisemitisme. „Waarlijk, degenen die geloven, de Joden, de christenen en de Sabiërs, wie (van hen) in Allah en de Laatste Dag gelooft en goede daden verricht; voor hen ligt hun beloning bij hun Heer en zij zullen vrees noch treurnis kennen”, citeert Siddiqui een Koranvers. „Ook Joden kunnen dus in het paradijs komen”, zo legt hij uit. „Op andere plaatsen in de Heilige Koran worden Joden mensen van het Boek genoemd, een respectvolle titel. Hoe kan een goed moslim dan deze mensen haten?”

Een Pakistaanse imam zei eens in een preek: „Wanneer de Joden zijn uitgeroeid, zal de zon van de vrede beginnen te schijnen over de hele wereld.” Siddiqui betreurt de uiting. Hij kent ook in Nederland imams die antisemitisme prediken. Maar ze winkelen selectief in hun bronnen, oordeelt hij. „Ze doen hetzelfde als PVV-leider Wilders in zijn film ”Fitna”: Koranteksten zonder hun context aanhalen. Het gevolg is een extremistische boodschap. Wat die imam zegt, klopt niet. In de Koran staat dat Joden en christenen op aarde zullen blijven tot de dag des oordeels.”

Religiemisbruik

Het interpreteren van islamitische bronnen is een wetenschap op zich, stelt Siddiqui. Koranteksten die oproepen tot geweld tegen Joden moeten vanuit het oorlogsrecht worden uitgelegd. „Toen Mohammed in Medina verbleef, gold er een door moslims en Joden onderschreven afspraak om één front te vormen bij aanvallen van buitenaf. Joden hebben dat verdrag echter geschonden en keerden zich tegen de profeet. Dat zij daarvoor zijn gestraft, is logisch. Ook nu zouden we sancties instellen als een land dat met de internationale coalitie meevecht tegen Islamitische Staat, zich ineens tegen de coalitie zou keren.”

Moslims die met hun Jodenhaat menen hun profeet na te volgen, vergissen zich, zegt de imam. „Van Mohammed is bekend dat hij uit respect opstond nadat er eens een begrafenis voorbijkwam. Toen iemand hem erop wees dat de overleden persoon een Jood was, zei hij: „Was hij dan geen mens?” Nog zo’n voorbeeld: een moslim en een Jood hadden ruzie. De moslim sloeg de ander en deed vervolgens zijn beklag bij Mohammed. De profeet wees hem echter terecht en nam het op voor de Jood. Hier kunnen moslimjongeren die Joden lastigvallen nog wat van leren.”

Dat moslims telkens toch weer antisemitische leuzen in de mond nemen, is volgens Siddiqui daarom pure domheid. „Deze mensen misbruiken hun religie. Ze zijn ver verwijderd van hun bronnen en leven niet dicht bij god. Anders zouden ze wel meer van zijn schepselen houden. Liefde voor iedereen en haat voor niemand. Dat is ons motto.”

Tegengif

Siddiqui praktiseert wat hij preekt. Hij probeert de dialoog te zoeken, ook al moet hij daarvoor uit zijn schulp kruipen. Voor het in januari uitgezonden EO-programma ”Rot op met je religie” leefde hij twee weken samen met twee christenen, twee atheïsten en een Jood. Volgens de imam zagen de kinderen van de Joodse Sheila de deelname van hun moeder vooraf niet zo zitten, omdat ze vreesden dat de moslim lelijke dingen over Israël zou gaan zeggen. „Maar wat bleek: van alle deelnemers konden wij het beste met elkaar overweg”, lacht Siddiqui. „Sheila noemde mij haar lievelingsimam.”

In 2014 riep hij via een ingezonden brief in De Telegraaf moslims tot de orde die zich vergaapten aan de antisemitische grappen en grollen van de Franse komiek Dieudonné. Enkele dagen later interviewde het dagblad hem. „Ik beschouw de profeet Mohammed als boodschapper van God, ik lees de Heilige Koran. En ja, ik ben moslim. Maar ik heb Joden even lief als islamieten of christenen of ongelovigen”, aldus Siddiqui in De Telegraaf. In het vraaggesprek zei hij ook zich te ergeren aan jonge Nederlanders van Marokkaanse afkomst die de dodenherdenking verstoren.

Voor de Ahmadiyya Moslim Gemeenschap ziet Siddiqui de schone taak weggelegd om andere moslims respect en vrede bij te brengen. „Voor het gif van antisemitisme vormen wij een tegengif.”

„Pro-Palestina en pro-Israël kan samengaan”

De Marokkaans-Nederlandse rapper Appa neemt geen blad voor de mond als het om Joden gaat. Op een pro-Palestina-demonstratie in de zomer van 2014 nam hij het op voor Hamas. „Hamas strijdt voor zijn volk, en zolang zionisten de Palestijnen uitmoorden hebben de Palestijnen de helden en vrijheidsstrijders van Hamas nodig.” Hij sloot zijn tirade af met grievende opmerkingen over de Talmoed.

Wat doe je met mensen die zulke dingen zeggen? In gesprek gaan, dacht Natascha van Weezel. In haar in april verschenen ”Thuis bij de vijand” (uitg. Balans) beschrijft de Joodse auteur ontmoetingen met tientallen Joden en moslims die het vaker niet dan wel met haar eens waren.

Appa zegt dat hij spijt heeft van de dingen die hij riep. Hij stelt haar voor om samen een film te maken over het Palestijns-Israëlische conflict of over moslims en Joden in Marokko, die van oudsher in vrede met elkaar leven. Na enkele gesprekken concludeert Van Weezel dat het onmogelijk is om samen te werken met iemand die „zó fundamenteel anders denkt over zaken die mij na aan het hart liggen.”

Een roc in Amsterdam vraagt Van Weezel of ze een workshop wil geven over het schrijven van een sollicitatiebrief. Als ze zichzelf voorstelt en aangeeft dat ze eens een documentaire heeft gemaakt over kleinkinderen van Holocaustoverlevenden, vraagt de Marokkaans-Nederlandse Mounira (19) wat de Holocaust is. Ze blijkt werkelijk van niets te weten en ook de naam Anne Frank laat geen belletje rinkelen. Van Weezel legt geduldig uit wat er in de Tweede Wereldoorlog is gebeurd en wat haar familie is overkomen. „Mevrouw”, zegt de hoofddoekdragende vrouw aan het eind van de les. „Hoe heet uw film? Die móét ik echt zien!”

Bang en bezorgd

Tijdens een Koranles die Van Weezel bijwoont, wil een vrouw haar aanraken als ze heeft verteld dat ze een Joodse achtergrond heeft. Van Weezel: „Ik sta het toe, al voelt het wat raar. Ze wrijft over mijn armen en knijpt in mijn schouder. Ik voel dat ze een spier vasthoudt. Net als ik een stapje naar achteren wil zetten, omdat ik het nu toch wel erg intiem vind worden, richt zij zich tot de anderen: „Voelt hetzelfde, hoor.””

De auteur stuit op onwetendheid, maar ook op complottheorieën. Tijdens het rondleiden van mbo-scholieren door een synagoge beweren ”Free Palestine!” schreeuwende jongens dat Joden IS hebben uitgevonden. „IS bestaat pas twee jaar en ze hebben nu al zo veel geld, wapens en dikke auto’s. Het kan niet anders dan dat Amerika en Israël, de rijkste landen ter wereld, daarachter zitten. Zij betalen alles.”

Dat IS ook aanslagen pleegt op Joodse doelen onderstreept hun gelijk, vinden ze. „Dat is alleen maar om de waarheid voor de rest van de wereld te verbergen.” De tieners willen er na afloop niet over doorpraten. Een van hen zegt: „U hebt uw waarheid, mevrouw, en ik de mijne.”

Hoe meer verschillende mensen Van Weezel spreekt, hoe banger en bezorgder ze wordt, schrijft ze halverwege het boek. Toch helpt het volgens haar niet om iemand die jou als vijand ziet, zelf ook automatisch als zodanig te bestempelen. In plaats daarvan vindt ze het belangrijk om het gesprek te zoeken om er zo achter te komen waarop iemands wantrouwen gebaseerd is. „We zouden juist het contact moeten zoeken met degenen die er nogal radicale opvattingen op na houden. Er is niets comfortabeler dan vanuit je ivoren toren roepen dat ‘de ander’ schuldig is aan – tja, aan wat eigenlijk niet?”

Op scherp zetten

Van Weezel beschouwt zichzelf als „kritisch zionist” en „radicaal gematigd.” Ze vindt dat Joden een thuisland behoren te hebben, maar dat daar niet alleen Joden moeten wonen. Ook hekelt ze de rechtse politiek van de regering-Netanyahu. Om haar standpunten wordt de auteur verguisd door mensen uit haar gemeenschap.

De journaliste vindt niet dat Joden en moslims constant het lijden van de eigen groep moeten benadrukken, maar zegt de Marokkaans-Nederlandse Abdou Menehbi na dat de strijd tegen racisme, antisemitisme en fascisme gelijktijdig en gezamenlijk gevoerd moet worden.

Aan het eind van haar zoektocht concludeert Van Weezel dat ze zich niet per se thuis voelt bij Joden of moslims, maar bij „degenen die in actie komen tegen de hokjesgeest en de polarisatie.”

Slappe dialogen zijn echter niet meer aan haar besteed. „Een dialoog heeft alleen kans van slagen als je dingen op scherp durft te zetten en onderwerpen aansnijdt die mogelijk gevoelig kunnen liggen.”

„De Joden zitten achter IS”

Hanna Luden juicht elk initiatief dat is gericht op de ontmoeting tussen Joden en moslims toe. Er is veel meer dialoog dan vijftien jaar geleden. Maar er valt nog genoeg te verbeteren, zegt de directeur van het Centrum Informatie en Documentatie Israel (CIDI). „Het blijft helaas bij kleine groepen. Het gaat vaak om dezelfde mensen en vrijwel alleen in Amsterdam.”

Joods Marokkaans Netwerk Amsterdam, Mo & Moos, Salaam-Shalom. Al deze op dialoog gerichte initiatieven vinden plaats in de hoofdstad. Logisch, vindt Luden, want daar wonen de meeste Nederlandse Joden. Maar de CIDI-directeur zou graag zien dat Joden en moslims elkaar ook in de rest van het land ontmoeten.

„Ook buiten Amsterdam hoor ik vaak ouders en docenten klagen over antisemitisme onder kinderen. Dat komt natuurlijk ergens vandaan. Het zou goed zijn als dialooggroepen de verhoudingen proberen te verbeteren. In Rotterdam wordt dat geprobeerd, hoewel het voorlopig blijft bij pogingen om zoiets van de grond te krijgen.”

Effect dialooggroepen

Tijdens dialoogontmoetingen doen mensen nogal eens verrassende ontdekkingen, weet de CIDI-directeur. „Turken zijn verbaasd als ze horen dat Istanbul een Joodse gemeenschap kent en er zelfs Joden zijn die Turks spreken. Voor jongere Marokkanen is het soms een openbaring als ouderen vertellen over de goede contacten die ze met Joden hadden in land van herkomst.”

Buiten de Randstad ontmoeten moslims en Joden elkaar nauwelijks, stelt Luden. De CIDI-directeur wenst dat op universiteiten het gesprek gevoerd wordt tussen beide bevolkingsgroepen. „Studenten zouden een nieuwe impuls aan de dialoog kunnen geven. Helaas gebeurt dat niet, omdat het debat te gepolitiseerd is. Je bent óf voor óf tegen Israël. Maar in mijn optiek kun je zowel pro-Palestina als pro-Israël zijn.”

Dat het gesprek tussen beide groepen achterblijft, komt ook door Joden zelf. „Een deel van de Joodse gemeenschap is bang om zich te vertonen op dialoogavonden. Ze vrezen voor hun veiligheid.”

Luden vindt het veel te makkelijk om te zeggen dat een goed moslim niet anders kán dan Joden haten. „Het klopt dat er moslimgeleerden zijn die geweld tegen Joden en anders- of niet-gelovigen preken. De staat moet dit soort predikers weren. Tegelijk zijn er genoeg islamwetenschappers en -geestelijken die het tegenovergestelde leren.”

Hebben de verschillende dialooggroepen zin? Het effect is moeilijk te meten, oordeelt Luden. Ze constateert dat de ontmoetingen in elk geval bij beide partijen voorzien in een grote behoefte om demonische denkbeelden over elkaar te corrigeren. „Elke bijdrage hieraan is winst voor de hele samenleving.”