„Nederland moet erkennen gezwegen te hebben”

Kamp Westerbork. beeld Getty Images

Hitler dacht in 1938 ruim baan te hebben voor de Jodenvervolging doordat de regeringen van andere landen zwegen. Ook kerkleiders trokken te weinig aan de bel. Conclusies van Klaas de Jong, uitgever van boeken over christen- en Jodendom, in de studie die hij maandag in Den Haag presenteerde.

„Nederland moet erkennen in de jaren dertig gezwegen te hebben”, vindt De Jong. „Dit is slechts een voorspel”, schreef een krant toen tijdens de Kristallnacht in 1938 Duitse synagogen in vlammen opgingen. „Onze kranten voorspelden de Holocaust”, concludeert De Jong. „Men wist: de Joden worden vernietigd. Maar de overheden zwegen, want Nederlands neutraliteit moest gehandhaafd blijven.”

Nederland liet slechts mondjesmaat Joodse vluchtelingen toe. Burgemeester H. J. Verbeek van Dinxperlo gaf hun toch een verblijfsvergunning, werd daarom ontslagen en kreeg pas lang na zijn overlijden eerherstel.

Kamp Westerbork werd voor de vluchtelingen ingericht. „De Joden moesten het zelf betalen en volgens een minister vonden ze het een eer dat te doen... Een Joodse vrouw die op 6 mei 1940 naar Westerbork moest, vroeg: Is dat verstandig, zo dicht bij Duitsland? Mevrouw, de waterlinie houdt de Duitsers tegen, zei een marechaussee. Alsof Westerbork achter de waterlinie lag.”

Het is een van de vele verhalen en voorbeelden die De Jong opdiepte voor zijn boek ”Kristallnacht en kamp Westerbork – Waarom zwegen we vóór 1940 en wat ontbreekt er aan ons herdenken?” (uitg. Toetssteen, Vledderveen; 154 pag.).

De burgemeester van Dinxperlo is niet de enige held die in het boek wordt geëerd. Jan Zwartendijk is niet voor niets „de engel van Litouwen” genoemd, en zijn zoon vertelde gisteren zijn verhaal: viceconsul Zwartendijk verstrekte tussen 22 juni en 2 augustus 1940 aan 2345 Joden een visum voor Curaçao, zodat ze uit handen van de Russen en de Duitsers bleven. Hij werkte samen met de Japanse consul, Chiune Sugihara, die de vluchtelingen een doorreisvisum verstrekte.

Zwartendijk sprak nooit over die tijd; zijn zoon hoorde er pas van toen hij 35 was. „Vader zei dat hij slechts had gedaan wat iedereen zou hebben gedaan. Hij was alleen benieuwd hoeveel van die mensen de oorlog hebben overleefd. De brief met het antwoord –meer dan 90 procent– arriveerde een dag na zijn begrafenis.”

De Jong schreef een belangrijk boek, vindt Zwartendijk junior, „want antisemitisme steekt her en der zijn lelijke kop weer op.” De Jongs boek is vooral een waarschuwing, stelt ook opperrabbijn Jacobs. „We gaan eraan”, riep zijn opa uit toen de Duitsers Nederland binnenvielen. Een kleine groep Nederlanders zette zich met gevaar voor eigen leven in om Joden te redden. Een kleine groep was echt fout. „De grote meute liet het gebeuren.”

Vooral over „die meute” maakt Jacobs zich zorgen. „Die kiest de gemakkelijkste weg.”

Palestijnse christenen

De opperrabbijn ziet zijn waarschuwingen tegen oplaaiend antisemitisme niet als paniekzaaierij. „We moeten de kop niet in het zand steken.”

Antizionisme is niet hetzelfde als antisemitisme. „Maar ik heb nog nooit een antisemiet gezien die van Israël houdt. Je mag kritiek op een overheid hebben, maar zeggen dat een land niet mag bestaan, gaat veel verder. Op onze scholen ziet men wel dat er iets aan het antisemitisme gedaan moet worden, maar dat gebeurt met de snelheid van een invalide slak. Op seksueel misbruik reageren we direct, op antisemitisme veel te weinig.”

Twee jaar geleden gaf De Jong het boek ”Van Eisenach tot Betlehem” uit, waarin ds. C. G. Kant de vooroorlogse houding van Duitse kerken met die van Palestijnse christenen vergelijkt. Duitse christenen probeerden de Bijbel van alle Joodse sporen te ontdoen. Joden waren slecht, dus Jezus was geen Jood en de Galileeërs waren raszuivere Ariërs.

Palestijnse christenen doen vaak niet anders en zijn daarom ten onrechte populair in de westerse kerken, stelt de PKN-predikant. „Palestijnen hebben geen vervangingstheologie, want ze zeggen: God heeft nooit een verbond met Israël gemaakt.”