Na zijn dood blijft Kampenaar „de Kratse” op het eiland

Markant
Anton Wezenberg, de Kratse, beheert al 28 jaar het Keteleiland bij Kampen. Hij wil er worden begraven. beeld Freddy Schinkel

Al 28 jaar beheert Anton Wezenberg uit Kampen het Keteleiland. Hij is ermee vergroeid. Na zijn overlijden wordt hij er ook begraven. „Ik wil terug naar de natuur. En ik wil terug naar mijn Schepper.”

Met zijn grijze haar en gekrulde snor is Wezenberg (77) een opvallende verschijning. „Iedereen noemt mij de Kratse”, zegt de vrijgezelle Kampenaar. „Ik weet zelf ook niet wat het betekent, maar zo word ik al vanaf mijn kinderjaren genoemd. Ik denk omdat ik nogal klein ben.”

Behendig stapt Wezenberg bij de Koggewerf in Kampen aan boord van zijn motorbootje. Met een kalm gangetje stuurt hij het vaartuig over de IJssel, die schittert in het zonlicht. Een aantal ganzen deint mee op de golven die het bootje veroorzaakt. Intussen houdt Wezenberg de oevers in de gaten. „Ik pik allerlei afval op. En als er een balk ligt, neem ik die ook mee. Die kan ik op het eiland goed gebruiken.”

Plezierjachtjes

Na een half uur varen komt het Keteleiland in zicht. Wezenberg vaart een klein stukje door en gaat dan een haventje in. Links en rechts liggen plezierjachtjes. „Pasgeleden lagen er 37. Het was passen en meten, maar het lukte.” Eenmaal op de wal komen meteen enkele mensen op hem af. Iedereen kent de beheerder.

Het 46 hectare metende eiland heeft een rijke vegetatie. Riet, stukken grasland, bos en een veld met bloemen. Het eiland ontstond in 1940. De overheid legde het Kattendiep aan, een zijarm van de IJssel. Er werden landerijen afgegraven en onder water gezet. Enkele honderden meters uit de wal bleef een stuk land droog, wat het Keteleiland werd.

Wezenberg kwam er al in zijn kinderjaren met een bootje. „Ik was eerst jager. Maar 28 jaar geleden kwam de baan van beheerder vrij.” Vijftien jaar was hij in dienst van de gemeente Kampen. Daarna werd hij vrijwilliger. Hij krijgt bij het onderhoud van het eiland hulp van anderen.

De Kampenaar wijst op een boomgaard, naast de haven. „Er groeit van alles. Kersen, peren, pruimen. Bezoekers halen alles van de bomen af. Nou, ze doen maar. Pasgeleden is er een vos in de boomgaard gevonden. Die was vanaf de overkant naar het eiland gezwommen. Het dier lag daar te slapen.” Ook reeën maken de oversteek, weet Wezenberg.

Hij wenkt. „We gaan naar het schuurtje.” Pal naast de haven staat een houten gebouw met daarin tuinstoelen, zodat mensen even kunnen zitten. De vlonder is gemaakt van planken die overbodig waren bij werkzaamheden aan bruggen. In het schuurtje hangt een lijstje met regels. „Je mag op het eiland bijna alles doen. Zelfs barbecueën. Als je maar geen rommel maakt.”

Wezenberg loopt een stukje verder. Hij wijst op een veldje met bloemen. „Dat hebben we aangelegd voor de bijen en de vlinders.” Dan slaat hij een zelf aangelegd pad in. Tussen de bomen door loopt hij naar een open veld. „Er ligt hier 15 hectare grasland, dat wordt gepacht door boeren.”

Datsja

Naast het grasland staat, omgeven door bomen, een houten gebouwtje. „Mijn datsja, mijn holletje”, verklaart Wezenberg. Het doet zowel denken aan een schuur als aan een huisje. En dat klopt ook. Voor de aanleg van het Kattendiep was dit de plek waar paarden stonden voor trouw- en rouwkoetsen. Later knapte Wezenberg het op.

Op de deurpost van het pandje staat op een naambordje ”Anton”. Wanneer de beheerder de deur opent, komt een oude geur de bezoekers tegemoet. Wezenberg gaat op zijn gemak zitten op een stoel in het kleine kamertje en wijst om zich heen. Aan de wand hangen tientallen foto’s, onder meer van vrienden. Op het tafelkleed staat een koffiezetter, die werkt op petroleum. In het keukentje staat een fornuisje, eveneens met petroleum, waar Wezenberg op kookt. Hij komt weer overeind en wijst op de deurpost. Daar staan strepen en jaartallen. „Bij hoogwater stroomt het eiland over. Kijk, in 2007 stond het water hier een meter hoog in de kamer.”

Dan stapt hij naar buiten en opent een andere deur. Een plank in de kleine ruimte is uitgebeten door urine. „Dat komt door steenmarters. Er lopen ook ratten. Meestal slaap ik in Kampen of op mijn boot in de haven van het eiland. Vroeger sliep ik hier. Maar dat gaat niet meer.”

De beheerder sluit de deuren weer af. Hij loopt naar een hoger gelegen deel van het eiland. Bij een boom stopt hij. „Dit is de plek waar ik word begraven.” Maar waarom? „Op dit eiland voel ik me thuis. Hier hoor ik.” Na een jarenlange procedure gaf de gemeente Kampen eerder dit jaar toestemming dat dit ooit de laatste rustplaats van de Kampenaar mag zijn. Ondanks dat hij nog kerngezond is, is zijn kist al gemaakt. Die staat bij een vriend.

Na zijn overlijden zullen andere vrijwilligers het werk waarschijnlijk overnemen. Maar wat betekent het sterven voor Wezenberg zelf? Hij zoekt even naar de juiste woorden. „Ik ben niet kerkelijk, wel gelovig. Ik geloof in de schepping. En in de Schepper. Ik ben een volgeling van Jezus.”

serie Markant

Deel 4 in een serie over mensen met een opvallende leefwijze. Volgende week vrijdag deel 5.