Museum over IJsseldelta als dé hooischuur van Nederland

Bij het hooien kwam het tot ver in de 20e eeuw aan op spierkracht. beeld Nederlands Hooimuseum
4

Voorzichtig wordt er dit voorjaar een begin gemaakt met het Nederlands Hooimuseum. In Hasselt worden op de plek waar het museum wordt gevestigd alvast twee hooibergen gerestaureerd.

Er is ook een wetenschappelijk onderzoek gestart naar de vraag waarom het beste en lekkerste hooi uit de IJsseldelta, ooit dé hooischuur van Nederland, kwam.

Jan Bruins (70), voormalig hooihandelaar uit IJsselmuiden, doet weliswaar niet meer in hooi, maar weet nog als de dag van gisteren hoe hij in zijn jonge jaren met hooibalen van 50 kilo op z’n nek liep te sjouwen. En ook het hooien zelf vond hij „heel aangenaam.”

Bruins is een van de personen die hun herinneringen aan de hooitijd van weleer kunnen vertellen. In het kader van het onderzoek voor het nieuwe museum is de IJsselacademie in Kampen op zoek naar mensen uit de IJsseldelta –Kampen, Mastenbroek, Genemuiden, Hasselt en Rouveen– die herinneringen hebben aan de tijd waarin hooi nog diende als ‘brandstof’ voor het vee. Wat nu de benzine is, was vroeger het hooi voor de paarden. „Vooral hooi van het Kampereiland vonden de paarden lekker”, weet Bruins nog. „Het was een beetje zoetig.”

Bruins leverde hooi aan het leger en ooit was transporteur Van Gent & Loos een van de grootste klanten van de IJsselmuider onderneming. „De directeur bleef altijd een paar dagen bij ons om het hooi te keuren. Nog steeds komen zijn kinderen af en toe hier in IJsselmuiden.”

Versgebakken brood

Hooi van het Kampereiland stond bekend om zijn kwaliteit. Dat had weer te maken met de specifieke bodemeigenschappen waarop het gras groeide in de IJsseldelta, een combinatie van zee- en rivierklei.

Bruins’ grootvader was bijkans lyrisch over het Kampereilander hooi, waarvan hij de geur vergeleek met „versgebakken brood.” Handel in hooi is al zeker een halve eeuw verleden tijd.

„In de jaren zestig hebben we nog wel wat hooi geperst in Kampen en ook in Hasselt”, herinnert Bruins zich, maar toen liep de hooihandel al op z’n eind. De laatste vracht bracht de IJsselmuidenaar begin jaren 80 weg. „In ons land wordt nu nergens meer op grote schaal gehooid.”

Hooi (gedroogd gras) was tot in vorige eeuwen van betekenis. Grote delen van Nederland ontwikkelden zich tot graslanden.

Buitenland

Niet alleen koeien eten gras, maar dus ook paarden. Paardenkracht was tot de invoering van de stoommachine en de benzinemotor een factor van economisch belang. Ook KI-stations waren happig op hooi van het Kampereiland, want volgens Bruins leverde dat een betere kwaliteit sperma op.

Zijn hooi- en riethandel begon in 1891 en groeide langzaam uit tot een van de belangrijkste hooileveranciers. Er werd niet alleen geleverd aan agrarische bedrijven in Nederland, er ging ook hooi naar het buitenland. Tussen 1949 en 1953 zijn er transporten per trein naar Zwitserland gegaan, omdat het Alpenland perioden van droogte had gekend en onvoldoende hooi had voor het melkvee. Dat ging om transporten van 400-500 ton.

Incidenteel is er een grote hoeveelheid gedroogd gras uit de IJsseldelta naar Zweden verscheept.

Vergaderen in een hooiberg

Het hooibergenterrein in Hasselt (gemeente Zwartewaterland) is het enige in Nederland waar meerdere hooibergen bij elkaar staan. Ooit was het de opslag van de stadsboeren in de Zwartewaterstad.

De herinrichting van het terrein is een van de drie onderdelen van het hooimuseum in wording. De overige twee zijn het onderzoek van de Rijksuniversiteit Groningen (”Van oerbos tot hooiland”), dat moet uitmonden in een webmuseum en een verzameling van verhalen, verteld door mensen uit de IJsseldelta die herinneringen hebben aan de periode dat er nog volop werd gehooid in deze landstreek.

Adriaan Velsink uit Zwolle is een van de leden van de werkgroep die als cultureel adviseur een bijdrage levert aan het wetenschappelijk onderzoek van de RUG. Dat staat onder leiding van prof. Theo van der Spek. Ook historicus Wim Coster werkt hieraan mee.

Op het huidige hooibergenterrein zullen verschillende typen hooibergen verrijzen. In een daarvan wordt een informatiecentrum gevestigd, waarin ook het digitale museum wordt ondergebracht. Verder is het de bedoeling om een bed & breakfast te realiseren in een van de hooibergen. In andere hooiopslagplaatsen komt vergaderaccommodatie voor het bedrijfsleven.

Dit jaar wordt er een aanvang gemaakt met de restauratie van twee hooibergen, waarvoor de provincie Overijssel inmiddels subsidie beschikbaar heeft gesteld.