Leerlingen: Onderlinge omgang kan beter

De relatie tussen leerlingen onderling laat te wensen over. Foto ANP ANP

Leraren en leerlingen gaan over het algemeen goed met elkaar om. De relatie tussen leerlingen onderling laat te wensen over. Pijnpunten zijn schelden en pesten.

Dat is de mening van ouders, leraren en leerlingen van het gereformeerde Greijdanus in Zwolle en het reformatorische Driestar College in Gouda. Zij deden mee aan een donderdag gepresenteerd onderzoek naar morele vorming op hun school.

Gemiddeld de helft van de ondervraagden is „negatief” over de relatie tussen leerlingen onderling. Opmerkelijk is dat leerlingen zelf vinden dat zij beter met elkaar moeten omgaan. Als pijnpunten noemen zij schelden en pesten.

Op het Greijdanus werden de ouders en de leerlingen bevraagd, op het Driestar College ook de leraren. Het onderzoek werd uitgevoerd door het lectoraat morele vorming onder leiding van dr. Pieter Vos van de Gereformeerde Hogeschool in Zwolle.

Alle ondervraagde partijen zijn „redelijk positief” over de relatie tussen leraren en leerlingen. Driestarouders vinden het wel lastig dat leraren soms verschillend denken over principiële zaken, zoals lange broeken voor meisjes.

De ondervraagden kregen morele situaties voorgelegd, zoals het gebruik van alcohol, wel of geen orgaandonor worden, respect voor gezag en het omgaan met seksualiteit. Daarbij ging het niet om hun eigen mening, maar om de vraag: Wat moet de leraar in deze situatie doen?

Leerlingen van beide scholen geven in veel gevallen dezelfde antwoorden. Ze vinden zelfstandigheid, een eigen mening hebben en het naar eigen inzicht durven handelen het belangrijkst. Daarin lijken zij op jongeren in het algemeen in Nederland en minder op hun allochtone leeftijdsgenoten, die het leveren van goede schoolprestaties op nummer één zetten.

Bij grensoverschrijdend gedrag vinden ouders en leraren het belangrijk dat er een persoonlijk gesprek met jongeren plaatsvindt waarin de christelijke waarden en normen worden overgedragen. De jongeren zelf kiezen in zo’n geval voor verschillende opties, variërend van een klassikale discussie tot strafmaatregelen.

Leraren moeten een christelijk voorbeeld in woord en daad zijn, leerlingen leren praten over het geloof, hen terechtwijzen bij onbehoorlijk gedrag en leren een goede discussie te voeren over waarden en normen, vinden de leerlingen. Ouders hebben soms moeite met het taalgebruik van docenten, bijvoorbeeld bij veroordelende opmerkingen over allochtonen en bepaalde kerkelijke groepen in de achterban.