Klaas Hoekstra: Mijn lichaam is geen staatseigendom

Klaas Hoekstra. beeld Arjen Gerritsma

Klaas Hoekstra (74) uit Nijkerk draagt al sinds 1998 een pasje bij zich met daarop donorregistratie keuze 2: hij stelt zijn organen en weefsels na zijn overlijden níét beschikbaar voor transplantatie. Een bewuste keuze.

Bij leven wil Hoekstra wel organen afstaan. „Voor mijn kinderen, familie, vrienden.” Maar orgaandonatie na overlijden, gaat voor hem een brug te ver.

Allereerst vindt Hoekstra het emotioneel niet verantwoord dat de medische molen en het rouwproces elkaar doorkruisen. Hij stond als oprichter van het hospice Arkemheen in Nijkerk zelf honderden keren aan het sterfbed van mensen. „Je leert dan dat sterven een levenskunst kan zijn als de laatste strijd gestreden wordt. Voor de nabestaanden begint daarna het rouwproces. Het sterven en het proces van waardig afscheid nemen kan worden verstoord als er orgaandonatie in het spel is. Dokters hebben niets aan dode organen, dus moet er snel gehandeld worden bij overlijden. Je krijgt soms pas na een paar dagen een omhulsel terug om te begraven. Mijn schoonvader had nog jarenlang berouw omdat hij toestemming gaf voor het onderzoek naar de doodsoorzaak van zijn vrouw. Dat duurde vervolgens vijf dagen.”

Hoewel orgaandonatie op zichzelf niet in de Bijbel naar voren komt, weet Hoekstra wel Bijbelse argumenten tegen orgaandonatie. „Ons lichaam hebben we van God gekregen. Het is Gods geschenk, maar het blijft eveneens Zijn eigendom. Dat betekent: geen Nederlands staatseigendom, waar iedereen over kan beschikken. Mijn lichaam is een tempel, waar Gods Geest in woont. En ik wil bij leven gerust een nier of een oog afstaan, maar als ik gestorven ben, laat mij dan in de handen van mijn God vallen en niet in handen van mensen.”

Wederopstanding

Het compleet bewaren van het gestorven lichaam voert volgens Hoekstra terug op de Bijbelse notie van de wederopstanding van dat lichaam. „Ik geloof dat eens de graven open zullen gaan en alle mensen zullen opstaan. Voor Paulus stort het christelijk geloof als een kaartenhuis in als er geen opstanding van de gestorvenen is. De Heere Jezus stond op met precies hetzelfde lichaam als waarmee Hij gestorven was. In Zijn handen en voeten waren de gaten nog zichtbaar als gevolg van de kruisiging.”

Naastenliefde is voor Hoekstra geen argument voor orgaandonatie. „Dat het geven van je lichaam voor een ander de hoogste vorm van naastenliefde is, is bij orgaandonatie niet van toepassing. Je geeft je leven niet, maar de organen. De Heere Jezus gaf Zijn leven voor anderen. Dat is niet te vergelijken met orgaandonatie. Door te zeggen dat een mens dat ook zou kunnen, kleineer je Zijn offer juist.”

Hoekstra beseft dat zijn standpunt consequenties heeft. Hij zal zelf dan ook nooit een orgaan accepteren. „Mijn vrouw en kinderen weten dat ook. Ik houd intens van mijn vrouw, kinderen en kleinkinderen. Maar de liefde tot God gaat daar overheen. Het tijdelijk rekken van het leven, dat is hét leven niet. Het is voor mij dan goed zo. Soms krijg ik zo’n verlangen om bij Hem te zijn. Ik wil hier op aarde geen minuut te kort zijn, maar ook geen minuut te lang.”

Volgens Hoekstra tekent orgaandonatie dan ook het gericht zijn op het tijdelijke leven op aarde. „Het gaat om medische handelingen die het leven verlengen. Maar als christen belijd je toch dat het echte leven pas begint na het overlijden? Mijn geloofsbeleving is dat ik met ziel én lichaam, beide in dit leven en straks bij het sterven niet mijn, maar mijn getrouwe Zaligmakers Jezus Christus’ eigendom ben.”