„Kind gebaat bij eenheid opvoeding”

Vrijheid van onderwijs
Vestiging Amersfoort van het Van Lodenstein College. beeld RD, Anton Dommerholt

Een groot hek voor de school; leerlingen die massaal worden afgewezen. Als dat het beeld is van een gesloten toelatingsbeleid, is het ver bezijden de waarheid. „We gaan met ouders in gesprek omdat overeenstemming tussen gezin en school in het belang van hun kinderen is.”

Bestuurder Frans van Hartingsveldt van de Jacobus Fruytier scholengemeenschap in Apeldoorn, Rijssen en Uddel hield geen positief gevoel over aan het debat in de Tweede Kamer over burgerschapsvorming in het voortgezet onderwijs. „Het is kwalijk als politici slecht geïnformeerd zijn. Op grond van onjuistheden –alsof we als scholen anti-homoverklaringen laten ondertekenen– ontstaat er een bepaald sentiment. Daarbij wordt de schijnwerper eenzijdig op het reformatorisch onderwijs gericht, terwijl op alle scholen in Nederland aandacht nodig blijkt voor discriminatie door leerlingen onderling. Van homoseksualiteit werd de discussie in het parlement opeens verbreed naar het toelatingsbeleid van leerlingen. Dat leidt dan tot een motie en die krijgt steun: partijen profileren zich, want de verkiezingen komen eraan.”

De toelatingscriteria van de reformatorische scholen zijn volgens Van Hartingsveldt „heel positief” verwoord. „Ouders krijgen bij aanmelding de vraag: Herkent u dit? Wij hebben een profiel en ouders sluiten zich daarbij aan; wil je het nog mooier hebben? Eenduidigheid in de opvoeding is namelijk belangrijk. Kinderen voelen zich daar prettig bij; het is een goed uitgangspunt voor hun ontwikkeling. Dat betekent niet dat we met oogkleppen op lopen: onze scholen wijken af van wat de grote meerderheid denkt, dus moeten we kinderen zo toerusten dat ze goed in de samenleving kunnen participeren.”

Veelkleurig

Burgerschapsvorming verdient alle aandacht en de reformatorische scholen nemen die opdracht „bloedserieus”, zegt Van Hartingsveldt. „Zowel in 2016 als in 2019 hebben we daarvoor van de onderwijsinspectie een positieve beoordeling gekregen, zonder herstelopdrachten. Dus als de Tweede Kamer nu verandering van het toelatingsbeleid wil, wat ben je dan eigenlijk aan het regelen? Met deze motie wordt onze scholen onrecht aangedaan.”

Onderzoek wijst uit dat toerusting vanuit een levensbeschouwing positieve gevolgen heeft, zegt de schoolbestuurder. „Leerlingen weten waar ze voor staan en juist daardoor kunnen ze openstaan voor anderen. Dat versterkt het deelnemen aan de samenleving. Dat heeft Nederland nodig in deze tijd vol polarisatie. Laat de politiek zulke burgerschapsvorming juist bevorderen.”

Daar hoort veelkleurigheid bij, zegt de schoolbestuurder. „Daar is in Nederland altijd ruimte voor geweest. Als je alles onder één norm wilt brengen, maak je groepen tot een minderheid. Dat bevordert juist de polarisatie. Het lijkt wel alsof iedereen in Nederland op dezelfde manier moet denken. Het heeft veel weg van gewetensdwang.”

Het toelatingsbeleid is voor gezinnen geen probleem, stelt Van Hartingsveldt. „Uit de leerlingenaantallen van onze scholen blijkt wel hoeveel ouders juist voor zo’n school kiezen. Waarom zou je dat als politicus negéren?”

Als er verschillen zijn, gaat de schoolleiding met ouders in gesprek. „Het gebeurt maar heel weinig dat leerlingen worden afgewezen; meestal concluderen ouders zelf dat het beter is een andere school te zoeken.”

Ingrijpend

Een verbod op het vragen van instemming met het Bijbelgetrouwe karakter de identiteit van de school zou volgens de Fruytierbestuurder „zeer ingrijpend” zijn. „Als scholen hebben we uit overtuiging voor dit beleid gekozen, in het belang van de leerlingen. Ik zie niet in waarom dat achterhaald zou zijn. Het onderwerp is nu in de Tweede Kamer op oneigenlijke gronden geagendeerd. Laat politici met ons in gesprek gaan, in plaats van dat ze zich op geruchten baseren.”

Van Hartingsveldt wijst op de drijfveer van de reformatorische scholen. „We begeleiden kinderen met een ziel voor de eeuwigheid. We gunnen hun dat ze de Heere Jezus leren kennen als hun Zaligmaker en van daaruit hun plaats in de samenleving innemen. Ons onderwijs richt zich op de levensbeschouwing, op de omgang met medemens en schepping en op de vorming tot goede vakmensen. We gunnen de samenleving dat onze leerlingen op de plaats die ze krijgen er iets van uitstralen dat de christelijke levensbeschouwing ook voor anderen heilzaam is.”