Inspectie dwong veiligheidsmaatregelen af bij curator abortuskoepel

beeld RD, Henk Visscher

De Inspectie Gezondheidszorg en Jeugd heeft de curator van de inmiddels failliet gegane CASA-abortusklinieken meerdere malen moeten dreigen met bestuursrechtelijke handhavingsmaatregelen om zo de kwaliteit en de veiligheid van het functioneren van de centra af te dwingen.

Dat blijkt uit interne documenten die minister Bruins (Medische Zorg) dinsdag heeft vrijgegeven na een WOB-verzoek.

De curator trad aan op 8 november 2017, de datum waarop de abortuscentra failliet werden verklaard, en werd daarmee ook bestuurlijk verantwoordelijk voor de behandelingen in de klinieken. In gesprekken daarover met de inspectie gaf hij echter te kennen dat het zorgdragen voor de continuïteit zijn inziens mede op de weg van het ministerie lag.

Na diverse waarschuwingen en een onaangekondigd bezoek op 30 november aan de CASA-kliniek in Amsterdam greep de toezichthouder in. Directe aanleiding was de constatering dat er voor de maand december 2017 in totaal nog 700 patiëntafspraken gepland stonden, terwijl alle zorgactiviteiten vanwege het faillissement na 8 december zouden worden gestaakt. De abortuskoepel had nog niets geregeld om een overdracht in goede banen te leiden, zo bleek tijdens het inspectiebezoek.

Onbestaanbaar, aldus de toezichthouder. De inspectie vreesde vooral een scenario waarbij vrouwen voor een nacontrole of voor acute zorg vanwege complicaties op zoek zouden moeten naar een nieuwe hulpverlener, zonder daarvoor voldoende wegwijs te zijn gemaakt.

In een op 4 december verstuurde brandbrief eiste de toezichthouder daarop dat de afsprakenagenda van de klinieken na 8 december moest worden schoongeveegd; een opdracht waar de medewerkers ternauwernood in slaagden. De CASA-centra moesten bovendien in kaart brengen hoe de toegankelijkheid van oude patiëntendossiers voor collega-artsen werd veilig gesteld.

In de brief van 4 december staat overigens ook te lezen dat kwaliteit en veiligheid van de dienstverlening van de Amsterdamse kliniek niet daadwerkelijk in het geding waren. „De medewerkers leveren zorg in overeenstemming met de op hen rustende wet- en regelgeving.”

De door Bruins vrijgegeven stukken bieden overigens maar in beperkte mate zicht op welke taferelen zich afspeelden in de laatste weken waarin de klinieken geopend waren. De bij de inspectie binnengekomen meldingen van incidenten of patiëntonveilige situaties blijven namelijk geheim. Bruins weigert de openbaarmaking, onder omdat hij vreest dat de meldingsbereidheid hierdoor daalt.

Na het faillissement van CASA Klinieken sloten uiteindelijk zeven abortusklinieken de deuren. De instellingen in Rotterdam en Amsterdam maakten een doorstart met een andere eigenaar. In Roermond begon een nieuwe organisatie. Momenteel lopen er bij het ministerie nog vijf aanvraagprocedures voor een vergunning voor nieuwe abortusklinieken in Den Bosch, Den Haag en Amsterdam.