Inburgeraars leren Nederlands: „Wat doet het woord ”er” in de zin?”

Taal
De groep cursisten is druk bezig met een invuloefening over de werkwoorden. In het midden van de klas docent Annelies de Jong. beeld RD, Henk Visscher
2

Waarom is ”Ik zit de boeken op de plank” niet goed? Wat doet het woordje ”er” in een zin? En is Maaike nu een jongens- of een meisjesnaam? Negen cursisten uit Syrië, Irak, Tunesië en Eritrea buigen zich over de lastige Nederlandse taal in een wijkcentrum in Apeldoorn. Ter voorbereiding op hun inburgeringsexamen.

Mohammad leest de eerste zin van de invuloefening hardop voor. „Ik zit de boeken op de plank.” Helaas, niet het goede werkwoord. Of toch wel? Docent Annelies de Jong kijkt op zijn blaadje. Hij heeft netjes ”zet” opgeschreven, maar spreekt het werkwoord verkeerd uit. Na een paar keer oefenen lukt de uitspraak wel. „Goed gedaan”, zegt De Jong. „Je mag hier trouwens ook zeggen: Ik leg de boeken op de plank.” De klas kijkt wat verstoord. Nederlands leren gaat niet vanzelf.

Het is donderdag, half tien ’s ochtends. Cursisten Mohammad, Fnan, Asma, Nour, Dalin, Eiman, Fadi, Owais en Ahmad krijgen in wijkcentrum Orca in Apeldoorn les in de Nederlandse taal. De tafels in het klaslokaal staan opgesteld in een U-vorm. Overal liggen dikke boeken en mappen met opschriften als ”Regels voor de sollicitatiebrief” en ”Kennis van de Nederlandse Maatschappij”. Aan de muur hangen A4’tjes met taalregels over de trappen van vergelijking en de spelling van regelmatige werkwoorden. Op de deur zijn de spelregels van de les terug te vinden, in korte, heldere zinnen. „We zijn op tijd. De pauze duurt vijftien minuten. We spreken Nederlands in de les.”

Oefenen

Het thema van vandaag: de werkwoorden leggen, zetten, stoppen en hangen. „Het zijn werkwoorden waarmee je zegt wát iemand doet”, legt de docent uit. Vorige week heeft de klas de werkwoorden liggen, zitten en staan besproken, werkwoorden waarmee je zegt wáár iets is. In de les van vandaag moet iedereen het verschil weten tussen de twee soorten en ze op de goede manier in een zin kunnen toepassen.

De Jong schrijft de belangrijkste regels op het whiteboard voorin de klas. „Als er aan het begin van de zin een naam staat, gaat het om wat iemand doet en kies je dus voor leggen en zetten. Maar dingen als sleutels en boodschappen kunnen niets doen, dan moet je denken aan waar iets is en kies je voor liggen en zitten.”

Ze deelt een papier met invulzinnen uit. Iedereen moet de oefening voor zichzelf invullen en het juiste werkwoord kiezen. De leerlingen buigen zich in opperste concentratie over het papier. Hier en daar helpen klasgenoten elkaar. Terwijl ze bezig zijn met invullen, pakt de docent haar telefoon. Eén cursist is nog steeds niet gearriveerd. Ze stuurt een appje, waar even later antwoord op komt. „Jongens, Bayan heeft zich blijkbaar verslapen.”

Tijd om de oefening klassikaal te bespreken. Om de beurt leest iedereen een zin voor. „We zetten het afval in de vuilnisbak”, zegt Fadi. „Nee, het is doen,” roept iemand anders al door de klas heen.

Nour mag de volgende zin doen. „Maaike zet de borden in de kast.” De Jong geeft haar een compliment. „Goed bezig.” De naam Maaike zorgt voor wat verwarring. „Is dat nou een jongens- of een meisjesnaam?” vraagt iemand.

Op naar het volgende stencil. „Oefenen, oefenen, oefenen,” zegt De Jong tegen de cursisten. „Hoe meer je oefent, hoe beter je het weet.”

A2 en B1

Dat oefenen cruciaal is bij het leren van een taal, beaamt taalwetenschapper Jacomine Nortier. Ze houdt zich onder andere bezig met tweedetaalverwerving. „Kinderen pakken een nieuwe taal razendsnel op, maar hoe ouder je wordt, hoe lastiger het is om een taal te leren. Dan kom je er alleen met expliciet oefenen.”

Daarnaast is motivatie heel belangrijk. „Als iemand graag wil leren en veel contact zoekt met Nederlandstaligen, dan leert hij sneller. Als je alleen een taal leert omdat je je verstaanbaar wilt maken, is het anders dan wanneer je denkt: ik wil deel uitmaken van een groep, ze van binnenuit leren kennen.”

In de praktijk is die motivatie soms best lastig. Wat doe je bijvoorbeeld als je met verschillende mensen in een klas zit die niet hetzelfde niveau als jij hebben, waardoor je soms moet wachten en dan weer de uitleg te snel vindt gaan?

In de groep van docent De Jong zitten twee verschillende niveaus, A2 en B1. „Om je inburgeringsexamen te halen, moet je minimaal taalniveau A2 hebben,” legt ze uit. Een A2-cursist begrijpt korte, eenvoudige artikelen en is in staat om informatie te vinden in eenvoudige teksten als advertenties of menukaarten. Cursisten met niveau B1 zijn wat verder: zo kunnen zij de hoofdpunten van een radioprogramma volgen, als er langzaam en duidelijk gesproken wordt.

De docent, van oorsprong orthopedagoog, vindt het niet altijd even gemakkelijk om beide niveaus goed te bedienen. „Als ik te lang ergens bij stil sta, zitten de B1-mensen zich te vervelen. Andersom wil ik het wel goed uitleggen voor de rest, zodat ze hun motivatie niet verliezen. Het is zoeken naar het juiste evenwicht, maar dat hoort erbij.”

Woordvolgorde

In de klas zijn de leerlingen toe aan de laatste opdracht van de invuloefening. Die is wat lastiger. Wat doe je met een kapotte lamp? Fnan denkt er een tijdje over na. „Ik doe de lamp weggooien.” Niet helemaal goed. „Je moet zeggen: Ik doe de lamp in de prullenbak.”

Eiman leest de zin ”De telefoon leg ik op tafel” voor. De Jong legt uit dat je deze zin nog op twee andere manieren kunt zeggen. „”Ik leg de telefoon op tafel” en ”Op tafel leg ik de telefoon” zijn ook correcte Nederlandse zinnen.” De klas is verbaasd dat alle drie de zinnen goed zijn. Iman kijkt hoofdschuddend naar haar buurvrouw, alsof ze zich afvraagt hoe ze ooit die rare taal moet leren.

De woordvolgorde van de zin is één van de grootste struikelblokken voor mensen die Nederlands leren, zegt taalwetenschapper Nortier. Een standaardzin is zo opgebouwd: onderwerp - persoonsvorm - lijdend voorwerp. Als voorbeeld noemt Nortier de zin ”Ik koop een boek.” Die volgorde is redelijk simpel en duidelijk uit te leggen aan cursisten. Maar als je een tijdsbepaling aan de zin toevoegt, verandert de volgorde en wordt het ”Morgen koop ik een boek”. Dan wisselen het werkwoord en het onderwerp van plaats.

En wat te denken van hoofdzinnen en bijzinnen? „In de zin ”Ik ben wat later, omdat ik morgen eerst een boek koop” staat het werkwoord ineens op de laatste plek”, legt Nortier uit. „Als moedertaalsprekers doen wij dit vanzelf, maar aan mensen die Nederlands leren is zo’n veranderende woordvolgorde haast niet uit te leggen.”

Ook de Nederlandse dubbele klinkers zijn lastig. Het verschil tussen ui, uu en oe horen wij moeiteloos, maar voor een Arabisch sprekend persoon klinken woorden als buur en boer exact hetzelfde. Dat geldt ook voor het verschil tussen de p en de b, de v en de w.

Om nog maar niet te beginnen over het woordje ”er”, vult docent Annelies de Jong aan. Er zijn maar liefst vijf verschillende manieren waarop je dit woord in een zin kunt gebruiken. Soms heeft het geen directe betekenis, maar is het toch onmisbaar om de zin kloppend te maken. „Zo moeilijk om uit te leggen. Je herkent een buitenlander bijna altijd aan het niet gebruiken van het woord ”er”.”

Lekker

Het is bijna half elf en de cursisten hebben inmiddels genoeg zinnen geoefend. Alle A4’tjes gaan in de tas en De Jong deelt papier en stiften uit. Vorige week heeft ze les gegeven over de juiste Nederlandse begrippen op het gebied van school en opvoeding. Nu is het tijd om de opgedane kennis te testen. „Een jongere van 12 tot 18 jaar, hoe noem je die? Er zijn twee woorden,” hint de docent. Asma spiekt stiekem in haar aantekeningen. Eiman kijkt af bij Fadi, die ter bescherming lachend zijn rugtas op tafel zet. Het antwoord: puber of tiener. Bijna iedereen heeft het goed.

„Wat is een ander woord voor jonge mensen?” Owais houdt zijn bordje omhoog. Er staat ”jeudg” op. De Jong, later: „Je ziet vaak dat Arabische sprekers de medeklinkers omwisselen.”

De vraag hoe de school voor 12 tot 18-jarigen heet, is lastiger. Basisschool blijkt niet het goede antwoord. Fnan kijkt gefrustreerd omdat hij het antwoord niet weet. „Geeft niet”, zegt de docent. „Je was vorige week niet bij de les, dus je kunt het niet weten. Het is geen wedstrijd.” Fnan is nog niet tevreden. „Ik heb wel naar de foto gekeken die je had gestuurd.”

Tijd voor pauze. Een deel van de cursisten is er duidelijk aan toe, gezien de blikken die ze op de klok werpen. De Jong: „Die stencils invullen is ook best saai.”

Iedereen schenkt koffie en thee voor zichzelf in. De mannen gaan naar buiten om te roken, de vrouwen blijven in het lokaal zitten kletsen. Asma en Nour praten zachtjes in het Arabisch met elkaar, Eiman en Dalin lopen naar de docent toe. Ze moeten straks een toets maken, maar daar hebben ze niet zo’n zin in. „Mogen we de test ook volgende week dinsdag doen?”

Het tweede deel van de les is bedoeld om zelfstandig te werken. Het grootste deel van de klas haalt laptops tevoorschijn om oefeningen te maken voor het inburgeringsexamen. Klassenassistent Joke gaat met Fnan in een hokje zitten, omdat hij graag zijn uitspraak wil oefenen. Ahmad vraagt of de docent hem kan helpen bij het schrijven van een sollicitatiebrief. Hij heeft een vacature gezien bij Hanos en wil daar graag op solliciteren. „Wil er nog iemand koffie?” klinkt het door het lokaal. „Lekker!” roept iemand terug. Daar wordt wat om gegniffeld. „Ze vinden het woord lekker heel gek”, legt De Jong uit. „Nederlanders gebruiken het woord overal voor. Het is lekker weer, het eten is lekker.” De docent noemt die observaties een van de leukste dingen aan haar werk. „Doordat je met mensen uit een ander land werkt, word je gewezen op de eigenaardigheden van je taal. Wij denken dat onze cultuur zo vanzelfsprekend is, zij laten zien dat er ook grappige dingen aan zitten.”