In gesprek over onomkeerbare keuze bij abortuskliniek

Diane van der Vliet. beeld RD, Anton Dommerholt

Na klachten van abortusactivisten dreigen prolifeorganisaties op afstand te worden gezet van klinieken, waar ze het gesprek aangaan met vrouwen die een abortus overwegen. Wat betekent dat voor hun werk?

Hoewel ze er erg tegenop kan zien, voelt Diane van der Vliet uit Nederhemert zich gedrongen tot het waken bij de abortuskliniek in Eindhoven. „Ik kan het werk niet loslaten, hoe moeilijk ik het vaak ook vind. Dat we hier met vrouwen in contact zijn gekomen die voor hun kindje hebben gekozen, geeft reden om door te gaan. Als we Gods hulp verwachten, geloof ik zeker dat er wonderen gebeuren en vrouwen afzien van abortus”, zegt ze. Ruim drie jaar heeft Van der Vliet ervaring als waker voor Er is hulp, een tak van Schreeuw om Leven. Volgens afspraak meldt haar team zich altijd vooraf bij de politie. Die ziet hen als demonstranten.

Hoe ziet een „demonstratie” eruit?

„Na gebed en Bijbellezen stellen we ons op vlak bij de ingang, vóór het terrein van de kliniek. Vrouwen moeten niet het gevoel hebben dat wij hen tegenhouden. Ik informeer altijd eerst of ik iets mag vragen en daarna of ze voor abortushulpverlening komen. Hoe je het gesprek verder vormgeeft, blijft een worsteling. Je vraagt bijvoorbeeld hoeveel weken de vrouw zwanger is, of het haar eerste afspraak is, of de abortus een keuze van haarzelf is en hoe de partner erin staat. En soms: Mag ik vragen waarom je een abortus overweegt? En: Waarmee zou je geholpen zijn om toch voor je kind te kiezen? Sommige collega-vrijwilligers zijn daarin wat directer dan ik. Belangrijk is om eerst een luisterend oor te bieden voor je oplossingen aandraagt, zoals het buddyschap of een sponsorplan.”

Wat is uw boodschap aan vrouwen die naar de kliniek gaan?

„Ik probeer hen ervan te doordringen dat ze hun keuze maar één keer kunnen maken. Vaak willen zo snel mogelijk van het ‘probleem’ af. Dan wijs ik erop dat ze de tijd mogen nemen voor een beslissing. Het wordt massaal ontkend, maar bij Er is hulp kloppen veel vrouwen aan die spijt hebben van een abortus. Daar wil ik anderen voor behoeden.

Eigenlijk zou onze informatie niet anders moeten zijn dan in de kliniek. Als iemand een behandeling in het ziekenhuis krijgt, is de arts ook verplicht om uit te leggen hoe het in zijn werk gaat en wat de complicaties zijn. Soms probeer ik daar voorzichtig iets over te zeggen.”

Waarom geen confronterende aanpak, zoals andere clubs?

„Met boze woorden bereik je niets. Dat voelt als veroordeling en dan staan vrouwen niet meer open voor een gesprek. We willen hen bereiken vanuit liefde en niets opdringen. Ik vraag me af of iemand door confronterende beelden zou afzien van een abortus. Een vrouw kiest daar niet zomaar voor. Ze is met een opleiding bezig, heeft een instabiele relatie, geen woonruimte, het kindje heeft een aangeboren afwijking of is van een andere man dan haar partner. Vaak is het zo complex. Helpt het dan als je een bebloed en uit elkaar getrokken kindje laat zien? Dat lost het dieper liggende probleem niet op. Daarvoor moet je in gesprek gaan.”

Dat gaat volgens de minister al te ver. Vrouwen moeten zich bij de entree niet hoeven te verantwoorden tegenover een wildvreemde, zegt hij.

„Verantwoorden is niet het doel; we willen alleen kijken of wij deze vrouwen kunnen helpen. Ze hebben de keuze om met ons in gesprek te gaan. Ik kan me wel voorstellen dat zij zich overrompeld voelen. Maar ik zal hun niets opdringen. Ik sta er voor vrouwen die een luisterend oor nodig hebben en hulp willen accepteren.”

Wat als er bufferzones komen?

„Hoe verder je bij kliniek vandaan komt te staan, des te moeilijker het is om met de doelgroep in contact komen. Als je 100 meter verderop staat, moet je aan elke voorbijganger gaan vragen of ze misschien van plan zijn naar de abortuskliniek verderop in de straat te gaan.”