In borstvoedingscafé vindt voedende vrouw gezelschap

Het borstvoedingscafé in Barneveld. beeld Niek Stam
2

Vrouwen kiezen minder vaak voor borstvoeding. Tegelijk blijven de voorstanders van moedermelk de voordelen uitdragen. Wordt in het openbaar voeden een taboe? En hoe slecht is flesvoeding nou eigenlijk?

Aan baby’s geen gebrek in het borstvoedingscafé in Barneveld. Zestien moeders zijn vanmorgen naar Het Schaffelaar Erf. Baby’s in de Maxi-Cosi, op de arm, aan de borst. Eromheen scharrelen oudere kinderen die met hun moeder mee mogen.

„Het is leuk om andere moeders te ontmoeten die ook borstvoeding geven”, zeggen Annecobe van Ekeren (27) en Melinda Minnen (35). De twee kennen elkaar van de vorige ochtend en zijn met hun kleintjes naast elkaar gaan zitten. Voor beide moeders is het hun eerste kindje. „Aan het begin was het even zoeken of ik het goed deed”, vertelt Van Ekeren, zoontje Jakob van twee maanden op schoot. „Ik had vragen over borstvoeding en ben hier goed geholpen. Els en Karin zijn deskundig.”

Els – dat is Els Hardeman, verloskundige en lactatiekundige. Samen met voormalig verloskundige Karin Boone heeft ze het borstvoedingscafé in Barneveld opgezet. Met als belangrijkste reden vrouwen die borstvoeding geven in contact te brengen met andere voedende moeders.

Die vrouwen kunnen behoorlijk eenzaam zijn, zag Hardeman. „Het lijkt allemaal zo mooi, maar kan tegenvallen. Ze denken vaak dat het voeden alleen bij hen niet lukt en bij de rest wel. Die moeders zijn blij dat ze hier anderen kunnen spreken die de problemen herkennen.” „Elkaar kunnen steunen is de meerwaarde van het café”, ziet ook Boone. Ze werkte tot drie jaar geleden in een verloskundigenpraktijk. Daarna zette ze borstvoedingscursussen op en organiseerde terugkomavonden voor de cursisten. De twee vrouwen sloegen vervolgens de handen ineen voor de organisatie van het borstvoedingscafé.

Het concept is niet nieuw: in heel Nederland zijn ruim 67 borstvoedings- en mamacafés. In Barneveld is dit het eerste borstvoedingscafé. Vanochtend is het de zesde keer dat het café –zonder drank, bar of gokkast– zijn deuren opent. Door corona moesten ze een paar keer overslaan.

Tongriem

Er komen hier allerlei soorten vrouwen, zegt Boone. Jong, oud, moeders die hun eerste kindje kregen en moeders die al meer kinderen hebben. Hardeman attendeert kersverse moeders in het kraambed op het borstvoedingscafé. Op die manier loopt het goed. „Moeders vinden het fijn vertrouwde gezichten te zien.”

Behalve voor ontmoeting kunnen de voedende vrouwen ook met vragen in het borstvoedingscafé terecht. Minnen vertelt dat ze haar dochtertje Sophie (nu acht weken oud) aan het begin soms twee uur lang aan het voeden was. Toen Hardeman haar observeerde terwijl ze haar dochtertje voedde, ontdekte ze dat het probleem bij een te strakke tongriem lag. Door die te klieven –meestal een eenvoudige ingreep– kan dat probleem verholpen worden.

Aan een tafeltje verderop zit Eline van den Belt. De 24-jarige heeft al een zoontje van ruim een jaar, die nog steeds borstvoeding krijgt. Nu is ze opnieuw zwanger. „Ik vroeg me af of ik door kon voeden nu ik weer een baby verwacht. Els gaf aan dat dat gewoon kan.”

Pijn bij het voeden is de meest gehoorde klacht in het café. „De gedachte heerst dat pijn normaal is”, zegt Boone. „Een hardnekkig probleem, want borstvoeding hoeft helemaal geen zeer te doen. Vaak ligt het aan de aanlegtechniek. Of de baby heeft geen goede zuigtechniek.” Sommige vrouwen hebben te maken met teveel melk, andere met te weinig. Of ze krijgen spruw: een schimmelinfectie.

De twee zijn er stellig van overtuigd dat borstvoeding het beste is voor een kind. „Vanuit de baby gezien is dit de norm”, zegt Boone. Ze hebben daarin meerdere onderzoeken aan hun kant: borstvoeding zou onder meer goed zijn voor het afweersysteem van de baby. Er zijn in de melk van moeders die het coronavirus hebben gehad, antistoffen tegen dat virus aangetroffen. Boone: „Die zitten niet in kunstvoeding.”

Ook voor de moeder heeft het geven van borstvoeding voordelen: er treedt vaak minder bloedverlies op direct na de geboorte en de baarmoeder is sneller weer terug in de oude staat. Op de lange termijn verkleint het geven van borstvoeding de kans op borstkanker en eierstokkanker.

Genen

Pieter Sauer, emeritus-hoogleraar kindergeneeskunde en voormalig kinderarts, onderschrijft de waarde van moedermelk. Tegelijk zijn volgens hem de voordelen van borstvoeding boven flesvoeding niet zo groot als vaak gezegd wordt. „Onderzoek naar de verschillen is lastig. Je kunt niet twee gelijke groepen maken waarvan er een voor flesvoeding kiest en de andere voor borstvoeding. Dat blijft een keuze van de moeder.”

Uit studies naar de verschillen tussen borstvoeding en kunstvoeding zijn dus niet altijd spijkerharde conclusies te trekken. „Een moeder die voor borstvoeding kiest, zou een ander soort moeder kunnen zijn dan een die voor flesvoeding gaat. Je weet niet of het effect bij het kind wordt veroorzaakt door de voeding of door de genen.”

Dat een moeder haar kind te kort zou doen als ze geen borstvoeding geeft, verwijst hij naar het land der fabelen. „Dat is te sterk uitgedrukt. De Wereldgezondheidsorganisatie adviseert borstvoeding, en dat is goed. Maar dat heeft er ook mee te maken dat in veel landen geen goede flesvoeding en geen schoon water voorhanden zijn.” Sauer kijkt daarom kritisch naar de „borstvoedingsmaffia”, zoals de mensen die strijden voor borstvoeding soms worden genoemd.

In moedermelk zouden ook schadelijke stoffen zitten, vertelt hij: bijvoorbeeld pesticiden en zogenaamde pcb’s. Die laatste komen in de melk wanneer de moeder dierlijke vetten eet. Uit onderzoek blijkt dat het effect van deze stoffen klein is, reageren Hardeman en Boone. Het nadelige effect van mogelijk aanwezige schadelijke stoffen in moedermelk zou niet opwegen tegen de gezondheidsvoordelen van borstvoeding.

Ongemakkelijk

Uit het meest recente onderzoek over melkvoeding blijkt dat steeds minder vrouwen na de bevalling kiezen voor borstvoeding (zie „Minder vrouwen voeden kind zelf”). De ontwikkeling gaat samen op met de trend dat vrouwen later settelen en hun eerste kind krijgen. Is het voor oudere vrouwen lastiger borstvoeding te geven?

Volgens oud-kinderarts Sauer is daar nooit goed onderzoek naar gedaan, maar hij kan zich er alles bij voorstellen. „Als je twintig jaar de pil hebt geslikt en je krijgt dan je eerste kind, is dat heel anders dan wanneer je twintig bent en dan moeder wordt. Het lichaam is in het eerste geval een stuk ouder. Bij vrouwen die hun eerste kind borstvoeding gaven, gaat het bij het tweede kind meteen vanaf het begin vaak heel hard. Als een vrouw al wat ouder is, zal dit misschien moeilijker gaan.”

Lactatiekundige Els Hardeman herkent dit ten dele. Volgens haar komt de borstvoeding ook bij oudere moeders vaak goed op gang. Wat wel uitmaakt, is of het een eerste kindje is of niet. „Bij de eerste spelen vaak verkeerde verwachtingen een rol. Moeders denken: als ik bevallen ben, wordt het leuk. Maar dan begint het pas.”

Uit het onderzoek bleek dat oudere vrouwen de borstvoeding wel het langst volhouden ten opzichte van jongere moeders. Sauer: „Het zou kunnen dat ze er dan alles aan willen doen om het vol te houden. Vanuit het idee: nu ben ik zwanger, dus nu ga ik helemaal voor mijn kind.”

Nu minder vrouwen borstvoeding geven, kan in het openbaar voeden een taboe worden. Zeker als het geen piepjonge baby betreft, maar al een wat ouder kind. Eline van den Belt voelt in een restaurant de ogen op haar gericht als ze haar kind van ruim een jaar voedt. „Ik heb het idee dat mensen dat ongemakkelijk vinden.”

Hennie Vermeer (33) ziet op Facebook weleens grimmige reacties als het gaat over lang doorvoeden. „Sommige mensen gruwen daarvan.” Zelf geeft ze haar dochtertje Evie van 14 maanden nog steeds de borst.

Vermeer denkt dat de antireactie van mensen ermee te maken heeft dat borsten geseksualiseerd worden. Hardeman herkent dat. „Borsten hebben een andere dimensie gekregen. Veel mensen zeggen bij oudere kinderen die nog borstvoeding krijgen: Dat is toch niet normaal.”

Zelf ziet ze borstvoeding als iets moois dat is overgebleven na de schepping. En, benadrukt ze, borstvoeding was in de tijd van de Bijbel heel gewoon. „Als een kind drie jaar was, werd het gespeend. Dan hielden ze een offerfeest.”

Minder vrouwen voeden kind zelf

De populariteit van borstvoeding is de afgelopen jaren gedaald. Dat blijkt uit onderzoek van het Nederlands Centrum Jeugdgezondheid (NCJ) onder 32.532 zuigelingen en hun moeders.

In 2018 startte 69 procent van de moeders na de geboorte met het geven van borstvoeding. Tussen 2001 en 2015 lag het aantal moeders dat met borstvoeding begon tussen de 74 en de 81 procent, blijkt uit eerdere peilingen.

Emeritus-hoogleraar kindergeneeskunde Pieter Sauer noemt deze cijfers opvallend. Volgens hem was flesvoeding vooral in de jaren 50 populair onder de beter gesitueerden. De laatste jaren wint borstvoeding aan populariteit, signaleert hij. Met name onder hoogopgeleide moeders, die borstvoeding koppelen aan gezond en puur natuur.

Uit het onderzoek blijkt dat hoogopgeleide moeders inderdaad vaker starten met het geven van borstvoeding. Van deze groep begint 76 procent met borstvoeding, tegenover 63 procent van de moeders met een gemiddelde opleiding en 59 procent van de moeders met een lage opleiding.

De meeste moeders die borstvoeding geven, zitten in de leeftijdscategorie 30 tot 35 jaar (70 procent). Onder de 30 is dat 67 procent; ouder dan 35 jaar 69 procent. Opvallend genoeg houdt die oudste groep de borstvoeding het langst vol. Na één maand geeft 49 procent van de vrouwen boven de 35 en van de vrouwen van 30 tot 35 jaar nog borstvoeding, tegenover 45 procent van de jongste groep. Na 6 maanden is dit zelfs 22 procent tegenover 17 procent van de jongste groep en 22 procent van de groep van 30 tot 35 jaar. Het maakt ook uit of een kind het eerste is of dat een vrouw al meer kinderen heeft gekregen. Bij een eerste kind start 72 procent na de geboorte met borstvoeding, bij een later kind is dat met 69 procent iets lager. Maar vrouwen die na een eerdere bevalling opnieuw voor borstvoeding kiezen, houden het wel langer vol: na één maand geeft 50 procent van hen nog borstvoeding, tegenover 48 procent van de moeders die voor het eerst bevallen waren. Na 6 maanden is dit verschil opgelopen tot 7 procent: 22 procent tegenover 18 procent.

Meerlingen krijgen minder vaak borstvoeding dan eenlingen. Zuigelingen en moeders die in het buitenland zijn geboren, starten vaker met borstvoeding.