Hongerwinter: lopend van Rotterdam naar Apeldoorn

Voormalig RD-vormgever Vermaas bij de Amersfoortseweg. Tijdens een voettocht van Rotterdam naar Apeldoorn moest hij zich in een greppel verschuilen uit vrees voor beschieting vanuit de lucht. beeld Riekelt Pasterkamp
2

Jan Vermaas liep in de Hongerwinter van 1945 met zijn vader en twee zussen van Rotterdam naar Apeldoorn. Op 15 januari kwamen ze aan, deze woensdag precies 75 jaar geleden.

Gevaar! Vliegtuigen. Vader Vermaas beveelt zijn kinderen in de greppel langs de weg te gaan liggen. Komt hun barre tocht hier op de provinciale weg tussen Voorthuizen en Nieuw-Milligen ten einde? De vliegtuigen gaan voorbij. „En wij strompelden weer verder”, zegt Vermaas (85) als hij langs de Amersfoortseweg loopt. „Iedere keer als ik hier ben, komt de herinnering weer boven. Dat vergeet je nooit meer.”

De Hongerwinter van eind 1944, begin 1945 was voor Nederland de verschrikkelijke finale van de Tweede Wereldoorlog. Er was schaarste aan voedsel en brandstof. Dat leidde vooral in de grote steden in het westen tot hongersnood. Veel mensen fietsten of liepen naar het oosten of noorden van het land om aan eten te komen.

Op 10 januari 1945 vertrok Henk Vermaas met zijn dochters Corrie (20) en Aat (13) en zoon Jan (10) vanuit hun woonplaats Rotterdam. Moeder Vermaas bleef met twee kinderen achter. Bestemming was De Vecht bij Apeldoorn om daar onderdak te zoeken bij de familie Gerritsen waar een van de kinderen al eens was geweest.

2019-12-23-katMA6-oorlog1-6-FC-V_web1945: roerig laatste oorlogsjaar

Sneeuw

Het was ijskoud en er lag een dik pak sneeuw, herinnert Jan Vermaas zich. „Pa droeg twee dozen, één op zijn rug en één op zijn buik, bij elkaar gehouden met een touw. Van de buren kregen we havermoutkoekjes, voor onderweg.” Ze waren de zwaar gehavende Maasstad nog niet uit of ze stuitten op een Duitse controlepost. „Iedereen werd gecontroleerd en moest alle etenswaar afgeven, maar wij mochten zo doorlopen. Vader heeft later verteld dat als iets wonderlijks te hebben ervaren.”

Pa Vermaas had als secretaris van basisscholen van de Gereformeerde Gemeenten in Rotterdam veel contacten in het land. Die boorde hij aan om te kunnen overnachten. „De eerste etappe eindigde in Gouda bij de familie Klootweg. Daar kregen we ’s avonds pannenkoeken te eten. Die had ik in jaren niet gehad.”

De volgende dag door de vrieskou naar Utrecht. „Daar woonde oom Jan, een broer van mijn vader naar wie ik ben vernoemd. Ik droeg een oude winterjas en schoenen met houten zolen. Terwijl het vroor dat het kraakte. We kwamen gelukkig zonder kleerscheuren aan. De volgende dag bracht ome Jan ons een eindje weg, tot De Bilt. Terwijl hij de kerk en het geloof vaarwel had gezegd, gaf hij ons toch mee: Vertrouwen hoor, vertrouwen.”

Voormalig RD-vormgever Vermaas bij de Amersfoortseweg. Tijdens een voettocht van Rotterdam naar Apeldoorn moest hij zich in een greppel verschuilen uit vrees voor beschieting vanuit de lucht. beeld Riekelt Pasterkamp

Fiets

Bij Amersfoort ging het mis. „Pa viel ineens. Na de oorlog hoorden we dat hij waarschijnlijk een hartaanval heeft gehad. Twee jongetjes met een slee brachten hem verderop naar de familie Schreuder aan de Hogeweg. „Ik hoor het Schreuder nog zeggen: Medicijnen heb ik niet, maar wel wat onder de kurk.”

De volgende dag reden de Vermaasjes een klein stukje mee op een boerenkar richting Voorthuizen. Na het ‘greppelvoorval’ ging het verder naar Nieuw-Milligen. „Er kwam een beer van een kerel uit het bos, met aan zijn hand een fiets met houten banden. Hij vroeg waar we heen moesten. Naar Jan Groeneveld, zei mijn vader. Die staat voor u, zei de man. We kregen onderdak voor de nacht. Groeneveld zei nog: Ik heb net vijf Amsterdammers in huis gehaald, maar daar kunnen best vier Rotterdammers bij.”

Uiteindelijk kwamen de Vermaasjes na vijf dagen en dik 120 kilometer lopen aan in De Vecht bij Apeldoorn. Ze bleven er tot augustus 1945 en maakten half april de bevrijding door de Canadezen mee.

De familie Gerritsen was gastvrij. „Ouders en dochters sliepen op de grond en wij mochten in bed. Later bleek dat ze ook nog twee onderduikers en een jodenjongetje in huis hadden. Mijn vader zei dat als je de hemel kon verdienen, de familie Gerritsen een stoeltje vooraan kreeg.”