„Grote fouten” in berechting architecten na de oorlog

Keuning. beeld Vantilt

„Hier maar niet meer over praten, dat is het allerbeste”, schreef architect J. P. Mieras in zijn dagboek. Want ja, het was allerminst doorzichtig waarom de ene architect vanwege zijn handelen tijdens de Tweede Wereldoorlog werd veroordeeld en de andere niet.

Mieras moest erkennen dat de ‘delicten’ waarvoor veel van zijn collega’s werden veroordeeld „in zekere omstandigheden niet ernstiger waren, dan ik zelf heb begaan.”

En zo tobde ook deze beroepsgroep, net als vele andere –en eigenlijk het hele volk–, met de vraag wie te ver was gegaan in zijn medewerking aan de Duitsers en welke straf daarbij paste.

Wat betreft de bouwkunst is daar nog niet veel onderzoek naar gedaan. De Tweede Wereldoorlog is in veel architectuurgeschiedenissen vooralsnog min of meer overgeslagen, constateert ir. David Keuning in het onderzoek waarop hij morgenmiddag aan de Vrije Universiteit in Amsterdam promoveert.

De dissertatie ”Bouwkunst en de Nieuwe Orde. Collaboratie en berechting van Nederlandse architecten 1940-1950” (uitg. Vantilt) legt de verschillen bloot in de mate waarin Nederlandse architecten bij het nationaalsocialistische regime betrokken waren. De „zwaarste gevallen” waren architecten die –zoals A. Soetens en B. Boezeman– actief waren in bezet Oost-Europa of –zoals G. A. C. Blok– in de Nederlandsche Kultuurkamer, door de Duitsers ingesteld om de architectuur op nationaalsocialistische leest te schoeien en de beroepsgroep onder controle te krijgen.

Ook waren er architecten die tot de NSB behoorden en daarom tot wethouder openbare werken promoveerden –zoals J. Gratama– of die voor Duitse opdrachtgevers werkten. Tot die laatste categorie behoorde Ch. Quéré, die verschillende onderkomens voor de nationaalsocialistische partij NSDAP in Nederland ontwierp. Daarnaast passeren veel mildere vormen van collaboratie de revue in Keunings onderzoek.

Verschil in straf

De promovendus noemt het opvallend dat architecten in vergelijking met aanverwante vakgebieden licht werden gestraft. Aannemers en makelaars die hadden gecollaboreerd kregen vaak aanmerkelijk zwaardere straffen opgelegd.

De Ereraad voor de Architectuur die het gedrag van de architecten moest beoordelen, maakte bovendien grote fouten. Zo verscheen er in augustus 1945 op basis van gebrekkig onderzoek een lijst van 61 architecten die werden veroordeeld. Deze bekendmaking moest later weer worden ingetrokken, omdat de lijst allerlei tekortkomingen bleek te vertonen.

Het kwam zover dat de leden van de ereraad in november 1946 uit frustratie hun werk neerlegden. Hun uitspraken bleven van kracht, maar erg serieus werden die over het algemeen niet genomen. Er zaten nogal wat tegenstrijdigheden in, zoals Mieras al eerlijk vaststelde: waarom was de een wel veroordeeld en de ander, die ongeveer hetzelfde had gedaan, niet?

De architecten moesten bepalen hoe ze wilden omgaan met collega’s die waren veroordeeld of van wie zij vonden dat ze veroordeeld hadden moeten worden. De kennis van die vakgenoten –gecollaboreerd hebbend of niet– was hard nodig tijdens de wederopbouw van het geteisterde land. Vandaar ook: „Hier maar niet meer over praten, dat is het allerbeste.” Maar erg bevredigend was dat toch niet.

Het zuiveringsproces was onvoldoende doordacht, concludeert Keuning. „Mede daardoor verliep het proces rommelig en eindigde het voortijdig.”

Het riekte soms naar willekeur. Er was sprake van vriendjespolitiek bij pogingen een veroordeling te verlichten. Anderzijds werden er ook vetes uitgevochten: „De zaak tegen Lansdorp was bijvoorbeeld aangegeven door Klijnen, die zijn vooroorlogse positie als restauratiearchitect van de Nieuwe Kerk in Delft terug wilde, maar niet kreeg.”

„De architectenzuivering was, kortom, een mislukking”, constateert Keuning. Het was maar een schrale troost dat dat bij andere naoorlogse zuiveringen ook het geval was.