„Evolutionisme ook een groot geloof”

Intelligent Design (ID)
UTRECHT – „Over de oersoep bestaat vrij veel kennis. We staan zeker niet met lege handen”, zei prof. dr. Piet Borst maandagavond tijdens een door het Reformatorisch Dagblad georganiseerd debat over Intelligent Design en evolutionisme. Op de vraag vanuit de zaal waar de oersoep vandaan komt, reageerde darwinist Borst: „Dat moet u aan iemand anders vragen. Dat is niet mijn vakgebied.” Foto RD, Anton Dommerholt Anton Dommerholt

„Intelligent Design kan niet één op één overgezet worden naar het geloof in een Schepper. Maar het is wel een duidelijke ondersteuning van de scheppingsgeschiedenis.” Dat zei prof. dr. ir. Henk Jochemsen maandagavond in Utrecht tijdens een door het Reformatorisch Dagblad georganiseerd debat over Intelligent Design (ID) en evolutionisme.

„Een fantastische verworvenheid”, noemt prof. dr. Piet Borst het darwinisme. „Het debat over Intelligent Design is een regelrechte bedreiging voor het biologieonderwijs. Daarom reageert de wetenschap zo emotioneel. Dat komt niet uit de lucht vallen. Nee, ID komt uit Amerika, en daar is het bedoeld als het breekijzer om het evolutionisme als de wortel van alle kwaad uit te roeien.” Borst is hoogleraar klinische biochemie aan de Universiteit van Amsterdam.

„Ik zie geen enkel gevaar”, reageert prof. dr. Ronald Meester, hoogleraar waarschijnlijkheidsrekening aan de Vrije Universiteit. „Het enige waar het in dit debat om gaat, is dat de wetenschap enige mate van bescheidenheid in acht moet nemen. Ik ben niet echt een aanhanger van de Intelligent Design-gedachte; mijn strijd is meer een protest tegen de arrogantie van de wetenschap. Veel uitspraken van het evolutionisme hebben helemaal niets met wetenschap te maken. Ze zijn gebaseerd op een geloof dat de wetenschap alles rationeel kan verklaren. Dat geeft mijns inziens een heel koud wereldbeeld.”

Aan het eind van het debat geeft Borst toe dat zijn atheïstische houding ook een levensbeschouwing is. „Ik ben opgevoed in een goed atheïstisch gezin en ben een brave jongen geweest en bij het geloof van mijn ouders gebleven.”

Het darwinisme moet zijn grenzen kennen, denkt ook Jochemsen. „De evolutietheorie geeft inderdaad een verklaring van variaties binnen bepaalde soorten. Duidelijk is dat te zien in de vele verschillende mensen die allemaal van één mens afstammen. Maar op het moment dat het een verklaringsmodel opstelt voor het ontstaan van alle soorten, dan is het geen wetenschappelijke theorie meer, maar een levensbeschouwing. En het wordt de laatste tijd met de ontdekkingen op moleculair niveau steeds duidelijker dat het darwinisme hier tekortschiet.

Borst reageert als door een wesp gestoken. „Hoe meer je van de biologie weet, hoe meer je ziet dat alles eigenlijk heel dom in elkaar zit. En dat is heel logisch. Het stapsgewijs ontstaan van alle soorten kan onmogelijk een perfecte constructie opleveren. Stupid construction, noem ik dat, in plaats van Intelligent Design.”

Meester: „Kunt u het beter ontwerpen?”

Borst: „Jazeker.”

Borst erkent dat er gaten in de evolutietheorie zitten. „Maar er worden steeds meer vroege vormen gevonden. Het ontbreken van één of twee fossielen kan toch niet de basis zijn voor een geloof in een Schepper? Dat is wel een heel klein geloof.”

Jochemsen: „Evolutionisten hebben inderdaad een heel groot geloof. Het is een tik van het darwinisme om uit de verwantschap die er onmiskenbaar tussen een chimpansee en een mens is, te concluderen dat ze een gemeenschappelijke voorouder hebben. Maar verwantschap wijst juist naar een ontwerper, voor mij God de Schepper. Maar dat laatste is een geloofsuitspraak.”

Meester vindt het benoemen van de ontwerper net een stap te ver. „Ik geloof niet in een persoonlijke God. Ik ervaar een hogere macht waarvan ik weet dat die mijn verstand te boven gaat. Bij vlagen kan ik dat God noemen. Als evolutie niet alles kan verklaren, betekent dat niet dat we God moeten invoeren in de wetenschap. Wetenschap moet gaan over dingen die herhaalbaar zijn, over constanten in de natuur, om daarmee de werkelijkheid beter te kunnen begrijpen.”

Hoe verder terug in de tijd, hoe moeilijker dat herhalen wordt, erkent Borst. „Toch is ook over het allereerste begin, de oersoep, vrij veel kennis. We staan zeker niet met lege handen.” Waar die oersoep dan vandaan komt, vraagt iemand in de zaal? „Wie die oersoep gekookt heeft, moet u aan iemand anders vragen. Dat is niet mijn vakgebied.”

Voor Jochemsen zal het ontstaan van de werkelijkheid door de schepping altijd een geheim blijven. „De geschiedenis van de schepping is geen wetenschappelijke theorie. Nee, de Bijbel is veel meer, dieper, rijker, met daarin ook noties van God als Verlosser, Herschepper. In Romeinen 1 staat dat we in de natuur Gods hand zien. Laten we in de wetenschap op zoek gaan naar de sporen daarvan.”

Voor theologiestudent Alfred Post uit IJsselmuiden heeft het debat duidelijk gemaakt dat de evolutietheorie gestoeld is op de nodige vooronderstellingen. „Mij spreekt het darwinisme niet aan. Lang niet altijd is er sprake van logica in de redeneertrant.” Post worstelt met de verhouding tussen geloof en natuurwetenschap. „Hoe moet je op de juiste manier naar Genesis 1 en 2 kijken? Heeft God de wereld in zes keer 24 uur geschapen? Daar moeten we goed naar kijken.” Hem trof de uitdrukking van debatleider dr. ir. Jan van der Graaf: „De vinger van God kan niet in tegenspraak zijn met de mond van God.” Het RD kondigde tijdens de avond aan dat over die vraag een vervolgdebat komt, medio september.

Lidewij, een jonge vrouw, heeft van de discussie geleerd dat „nadrukkelijk blijkt dat iedereen uitgaat van een bepaalde werkelijkheid. Dan gaat het ook om de vraag wat je wílt zien.” Ze denkt dat de evolutietheorie „grote gaten” bevat. De jonge vrouw is blij dat christenen door het debat worden gevormd in hun staan in de samenleving. „Zelf werk ik in een omgeving waar iedereen zonder meer uitgaat van de evolutiegedachte. Daar probeer ik antwoorden op te vinden. Waarbij we zullen moeten beseffen dat velen God buiten de werkelijkheid plaatsen.”

De 23-jarige Nico uit Rijssen vreest dat de drie debaters „langs elkaar heen praten.” Hij vindt de discussie aan de pittige kant. „Ik ben afgestudeerd in economie en recht, maar ik vond het vaak verschrikkelijk moeilijk.”