Euthanasie bij dementie? De rechter is aan zet

Een schriftelijke wilsverklaring. beeld ANP, Roos Koole

Wanneer mag een arts concluderen dat een diep dementerende patiënt nog steeds achter een schriftelijk euthanasieverzoek staat? Het OM brengt de rechter in stelling om dat helder te krijgen.

De vrijdag aangekondigde rechtsgang is voor Nederlandse begrippen een unicum. Sinds het van kracht worden van de euthanasiewet in 2002 zijn er geen artsen meer vervolgd voor het opzettelijk beëindigen van het leven van een patiënt.

Van de bijna 56.000 meldingen over euthanasie die de Regionale Toetsingscommissies Euthanasie (RTE) sindsdien ontvingen, werden er 94 door deze toezichthouder als onzorgvuldig beoordeeld. De 94 dossiers belandden wel bij justitie, maar slechts in vijf zaken startte het OM een oriënterend onderzoek.

Van deze vijf zijn er twee alsnog geseponeerd. Twee zaken wachten nog op beoordeling. De vijfde, over een verpleeghuisarts die in april 2016 euthanasie uitvoerde bij een 74-jarige dementerende en wilsonbekwame patiënte, is de zaak die nu voor de rechter komt.

In juli werd de arts al berispt door het medisch tuchtcollege in Den Haag. Sinds september 2017 werd haar handelwijze bovendien onderzocht door een officier van justitie van het parket Den Haag. Het college van procureurs-generaal noemde de rechtsvragen die de zaak over de levensbeëindiging van dementerenden oproept vrijdag zo belangrijk „dat het antwoord uiteindelijk aan de rechter moet zijn.”

Uitdrukkelijk en ernstig

Volgens de euthanasiewet mag de arts het leven alleen beëindigen op „uitdrukkelijk en ernstig verlangen” van de patiënt. Aan dat verlangen moet de patiënt zo helder mogelijk uiting geven. Als het kan met een mondeling verzoek, anders is een schriftelijke wilsverklaring een alternatief.

Daar komt ook meteen een belangrijke rechtsvraag die deze zaak oproept in beeld: hoe grondig moet die wilsverklaring zijn?

De desbetreffende patiënte legde vast dat ze euthanasie wilde „wanneer opname in een verpleeghuis noodzakelijk zou zijn”, maar ook „wanneer ze daar zelf de tijd rijp voor achtte” en „erom zou verzoeken.” Daarmee was haar wilsbeschikking volgens justitie zo multi-interpretabel dat de arts deze terzijde had moeten schuiven. Het is nu een kwestie van afwachten of de rechter daar ook zo over denkt. Én, of er in het vonnis minimumeisen worden geformuleerd waaraan wilsverklaringen voortaan moeten voldoen.

Uitingsvermogen

Bij een wilsbekwame patiënt wiens uitingsvermogen is aangetast, bijvoorbeeld door een spierziekte, kan een schriftelijke wilsverklaring voor een arts een belangrijk hulpmiddel zijn. Zo’n verklaring kan gebreken in de uiting van het uitdrukkelijk en ernstig verlangen compenseren. Dementie tast naast het uitingsvermogen van de patiënt echter ook diens wilsvermogen aan. Het is zeer de vraag of dat gemis ooit door een reeds bestaande wilsverklaring kan worden gecompenseerd.

Zo komt de tweede, mogelijk nog crucialere rechtsvraag rond deze zaak in beeld: hoezeer moet een arts zich inspannen om te achterhalen of een zwaar dement geworden patiënt nog steeds achter zijn of haar wilsverklaring staat?

De verpleeghuisarts die straks terechtstaat, betoogde eerder dat zij „intuïtief aanvoelde” dat haar patiënte nog steeds dood wilde, nadat zij haar gedrag enkele weken had geobserveerd. Zo’n bewijsvoering vond de tuchtrechter te mager. Aannemelijk is dat ook de strafrechter dat straks zal vinden. Vraag is wel hoe concreet het vonnis dan maakt welke inspannings- en onderzoeksplicht een arts precies heeft.

Vurig hopen

Mr. Diederik van Dijk, directeur van de Nederlandse Patiëntenvereniging en SGP-Eerste Kamerlid, zegt benieuwd te zijn hoe ver het oordeel van de rechter straks reikt. „We kunnen daar nu nog niet op vooruitlopen. De uitspraak kan dermate summier zijn dat hij eigenlijk alleen van betekenis is in deze zaak. Maar in theorie is het ook denkbaar dat de mogelijkheid tot euthanasie op wilsonbekwamen sterk of misschien wel zeer sterk wordt ingeperkt.”

Toen de euthanasiewet van kracht werd, hielden maar weinigen het voor mogelijk dat deze ook ruimte zou bieden voor het doden van hulpeloze verpleeghuispatiënten met dementie, zegt Van Dijk. „Anno 2018 is het duidelijk dat we een geest hebben losgemaakt die nooit zal zeggen: Het is genoeg. Wij mensen kunnen wel een doodscultuur scheppen, maar kunnen we die ook beheersen? Dit proces houdt zichzelf op gang.”

Dat het OM eindelijk een rechtszaak begint over euthanasie vindt hij een goede zaak. „Zowel in de samenleving als onder artsen groeit de ongerustheid over de uitdijende euthanasiepraktijk. Laten we vurig hopen dat deze stap in elk geval remmend werkt.”