De helft van de Gouwenaren werkte in de pijpenmakerij

Immaterieel erfgoed
beeld Niek Stam
2

Gouda is op de kop af 400 jaar ‘pijpenstad’. In 1617 vestigde zich er de eerste pijpenmakerij. Dat jubileum wordt echter niet gevierd. „Veel kleipijpen worden er hier niet meer gemaakt. Mogelijk wordt daarom aan het kroonjaar amper aandacht gegeven”, zeggen Reinier en Eric Boot van informatiecentrum Ambachtelijk Gouda en kunstatelier De Drietand.

„Dat het roken steeds meer in de ban wordt gedaan, speelt wellicht ook mee”, veronderstellen vader en zoon verder. „Daarnaast maakt Gouda zich al op voor een ander feest: de viering van 750 jaar stadsrechten in 2022.”

In Ambachtelijk Gouda is wel een expositieruimte over de kleipijp ingericht. Niet ten onrechte: op het hoogtepunt van de productie, rond 1750, waren bijna 4000 Gouwenaren in de pijpenmakerij werkzaam – de helft van de beroepsbevolking.

Producent

Wereldwijd was Gouda in de zeventiende en de achttiende eeuw vermaard als de belangrijkste producent van tabakspijpen. „De karakteristieke Goudse witte kleipijp werd door heel Europa en ver daarbuiten verkocht”, beschrijft Christaan van der Spek in de Goudse Canon van de Stichting Historisch Platform Gouda.

Gouda leerde het ambacht van het pijpenmaken van Engelse huurlingen in Nederlandse krijgsdienst die sinds 1606 de verdediging van Gouda versterkten. Engelsman William Baerneltss was de eigenaar van die allereerste pijpenmakerij. „De Goudse economie bevond zich op dat moment in een dal, de bierindustrie was ingestort”, aldus Van der Spek. „De Gouwenaren grepen de gelegenheid aan om mee te liften op het succes van de Engelse pijpenmakers. Ze toonden zich goede leerlingen. Rond 1641 overvleugelden ze hun Engelse collega’s.”

Gilde

In 1660 kreeg Gouda een eigen pijpenmakersgilde. De stad telde toen circa zeventig pijpenmakers. Omstreeks 1750 waren er 374 pijpenmakerswerkplaatsen in Gouda. In het productieproces hadden kinderen en vrouwen volgens Van der Spek een belangrijke rol. „Met hun dunnere vingers konden zij secuurder te werk gaan. Bovendien werden kinderen tegen een hongerloontje aan het werk gezet, dat hield de prijs van de pijp laag.” Van de pijpenmakerij profiteerden ook stadsgenoten die indirect als toeleverancier of handelaar bij de productie waren betrokken.

Vanaf de tweede helft van de achttiende eeuw zakte de markt voor Goudse pijpen in. Van der Spek: „De concurrentie nam toe, de buitenlandse afzet liep terug als gevolg van toenemend protectionisme. De houten pijp, de snuiftabak, de sigaar (1840) en de sigaret (1880) drukten de Goudse kleipijp helemaal uit de markt.” Eric Boot: „De pijpen die nu nog worden gemaakt zijn bedoeld als souvenir, reclameartikel of relatiegeschenk. Laatst heb ik er nog honderd gebakken in de oven van De Drietand.”

IJzerdraad

De Goudse pijpen worden vervaardigd van speciale klei, die eerst tot een bal wordt gerold. Daaruit worden de steel en de pijpenkop gevormd. Met ijzerdraad wordt het rookkanaal aangebracht. De klei wordt daarna in een mal gelegd. „In de traditionele methode is die van gietijzer. Zelf maak ik de pijpen met gietklei in een mal van gips”, aldus Boot junior. Met een ‘stopper’ wordt de ‘ketel’, de holte voor de tabak, in de pijpenkop gedrukt. Als de pijp gedroogd is, wordt hij in een oven gebakken op ongeveer 960 graden.

Dankzij de inzet van Gouwenaar Patrick Vermeulen is de Goudse kleipijp opgenomen in de nationale inventaris voor immaterieel erfgoed. „Het zou toch jammer zijn als de pijpenmakerij, een van de ambachten waardoor de stad groot is geworden, helemaal uit Gouda verdwijnt”, meent hij. „Er is nog zo veel te zien wat ernaar verwijst. Zoals gevelstenen waarin pijpenmakers hun eigen ”hielmerk” lieten opnemen, het merkteken dat ze onder aan de ketel moesten aanbrengen.”

Vermeulen, aannemer van beroep, leidt de Stichting De Goudse Pijp, die de historie en het ambacht onder de aandacht brengt met lezingen, stadswandelingen en lessen kleipijp maken voor groepen en op scholen. Vermeulen: „Kinderen vinden het heel leuk om te doen. Bij elkaar moeten er 32 handelingen worden verricht voordat een pijp gereed is voor het drogen en bakken, daar zijn ze zeker een halfuur zoet mee.”

Volkstuin

In het kaas- en ambachtenmuseum in De Goudse Waag op de Markt in Gouda demonstreert Dick van Maanen sinds tien jaar het kleipijp maken vrijwel elke woensdagmiddag, met gietijzeren mallen. Hij leerde het ambacht van wijlen Adrie Moerings, de laatste beroepspijpenmaker.

„Mijn volkstuin moest weg voor stadsontwikkeling, ik zocht een nieuwe hobby. Moerings deed toen net een oproep voor vrijwilligers. Ik was al bijna m’n hele leven pijproker, dus dat leek me wel iets.” Van Maanen houdt nu een oude traditie in ere. „Het is leuk om aan mensen van over de hele wereld, van Japan tot Venezuela, dit oude ambacht te tonen. Het hoort immers helemaal bij Gouda.”

zomerserie Immaterieel erfgoed

Over tradities die zijn opgenomen in de Nationale Inventaris Immaterieel Ergoed. Deel 4: Goudse kleipijp.