Christenarts: Ik krijg iedere maand een euthanasieverzoek

Paul Lieverse, arts in kankercentrum Daniël den Hoed in Rotterdam. Foto Gea Gort Gea Gort

ROTTERDAM – Artsen weigeren relatief vaak medewerking aan euthanasie, bleek donderdag. Hoe dat komt? Veel patiënten zijn de achterliggende tien jaar makkelijker over euthanasie gaan denken dan hun behandelaars, constateert voorzitter Paul Lieverse van de christelijke artsenorganisatie CMF Nederland.

Hoe vaak Paul Lieverse, arts in kankercentrum Daniël den Hoed in Rotterdam, zelf te maken krijgt met euthanasieverzoeken? „Dat gebeurt zeker eens per maand”, aldus de arts vanmorgen aan de telefoon. „Ik zie alleen maar patiënten met kanker of de verdenking daarvan. Ik spreek dus ook vaak met hen over het eind van hun leven.”

Hoe gaat u om met een verzoek om euthanasie?

„Als een patiënt het ter sprake brengt, laat ik zo snel mogelijk weten dat ik zelf geen euthanasie doe. Maar ik doe dat wel op een toon dat de patiënt zich niet veroordeeld hoeft te voelen. Soms breng ik het zelf ter sprake, als ik merk dat de patiënt eromheen blijft cirkelen. „Bedoelt u misschien euthanasie?” vraag ik dan. Ik doe dat om in een vroeg stadium al aan te kunnen geven dat ik daar geen medewerking aan verleen.”

Voelt u zich vaak onder druk gezet om dat toch te doen?

„Dat ligt eraan hoe sterk je in je schoenen staat. Zelf voel ik me belast als een patiënt dergelijke thema’s aanroert. Het zijn geen simpele gesprekken; ze kunnen heel emotioneel zijn. Een patiënt kan bijvoorbeeld bang zijn om te stikken. Hoe reageer je daar op?

Toch voel ik me tegelijkertijd ook vereerd, al klinkt dat misschien vreemd. De patiënt neemt mij in vertrouwen om over zoiets intiems te praten; dat vind ik bijzonder.”

De druk komt vaak niet alleen van de patiënt, maar ook van familie. Herkenbaar?

„Ja, dat heb ik zelf wel mee­gemaakt. Het zijn vaak situaties waarin de patiënt zelf zijn wil niet meer goed kenbaar kan maken, bijvoorbeeld tijdens een vorm van palliatieve sedatie. In die fase voelt de arts heel vaak druk van de familie, die dan op emotionele toon zegt: Wat heeft dit nog voor zin? Kunnen we hier niet beter een einde aan maken? Dit zou moeder nooit gewild hebben.

Op dat moment moet je goed weten uit te leggen wat je doet. Ik probeer altijd duidelijk te maken dat de intentie van het begin dezelfde is gebleven: lijden verzachten en wegnemen. Dat doel is bereikt, zeg ik dan. Uw moeder heeft nu geen pijn. Maar de verleiding om de dosering medicijnen te verhogen, al is dat niet in het belang van de patiënt, is op zo’n moment heel groot. Ik weet zeker dat het regelmatig gebeurt.”

De druk om mee te werken wordt bovendien steeds groter, zeggen artsen. Hoe komt dat?

„Sinds de invoering van de euthanasiewet in 2002 is er bij het publiek meer en meer de gedachte ontstaan dat euthanasie een recht is dat iemand zelf kan regelen. Voor die tijd zagen veel artsen dat als een noodgreep die je alleen toepaste als er geen andere oplossing meer was.

Daar komt nog eens bij dat artsen vaak geen goed antwoord hebben op het verzoek. Dat heeft ook met de opleiding te maken. Een vak als medische ethiek wordt vaak verengd tot de vraag: wat zijn de regeltjes? Als patiënten of familie dan druk op je gaan uitoefenen, sta je niet stevig in je schoenen; je kunt alleen op je afvinklijst terugvallen. Veel artsen voelen zich daar ongemakkelijk bij; ze weten niet hoe te reageren.”

Hoe gaat uw organisatie daar mee om?

„We hebben geregeld conferenties over dit soort onderwerpen. Ik ga echter niet zeggen dat geen enkel CMF-lid meewerkt aan euthanasie, omdat ik simpelweg niet kan uitsluiten dat de leden soms voor die druk bezwijken. Je kunt je ogen niet sluiten voor het lijden dat er is.

Op zo’n moment moet je heel erg oppassen dat het wegnemen van lijden niet de enige norm wordt. Er is ook nog een andere norm: dat leven –óók als het gebroken is en niet meer lang zal duren– van waarde blijft in de ogen van de Schepper.”