Bloembollen van groot belang voor Noordoostpolder

25 jaar Flevoland
Wethouder W. J. Schutte van de gemeente Noordoostpolder in het bloembollenbedrijf dat hij vorig jaar overdroeg aan zijn zoon. De Noordoostpolder groeide de afgelopen tientallen jaren uit tot een belangrijke bollenstreek. Foto André Dorst André Dorst

EMMELOORD – Terwijl in deze tijd van het jaar de uitgestrekte landbouwgronden de Noordoostpolder een grauwe en verlaten indruk geven, toont het gebied in april en mei zijn kleurenpracht. Het is het werkterrein van W. J. Schutte, voormalig bollenteler en nu wethouder namens het CDA.

Schutte was jarenlang voorzitter van LTO Noord en LTO Flevoland. Sinds 2006 is de christendemocraat wethouder, een functie waar hij met enthousiasme veel tijd in steekt. Maar wanneer het gesprek op de bloembollenteelt komt, veert hij pas echt op. Landkaarten komen tevoorschijn, de secretaresse wordt gevraagd naar informatiefolders en op zijn tablet-pc toont hij websites. Het beroep dat hij 37 jaar uitoefende, heeft nog steeds zijn hart.

„Mijn ouders komen van oorsprong uit Groningen”, aldus Schutte. „In 1957 begonnen ze een gemengd bedrijf in Creil, in de Noordoostpolder.” Zoon Willy nam het bedrijf in 1973 over. Hij besloot al snel de koeien te verruilen voor de bollenteelt.

„Na de Tweede Wereldoorlog leefde de gedachte dat de voedselproductie omhoog moest. Daardoor kwam er veel veeteelt en akkerbouw. In de Noordoostpolder werden vooral kleinschalige landbouwbedrijven uitgegeven.” De boeren verbouwden in die periode vooral gras voor koeien, aardappelen, bieten en graan. Later kwamen in navolging van Zeeland ook uien, winterpeen en koolsoorten op het land. Alleen bij Ens, zo’n 15 kilometer boven Kampen, bevond zich wat bollenteelt.

Schutte: „Er waren te veel kleine bedrijven. Daar viel nauwelijks van te leven.” Door een herverkaveling vertrok een aantal boeren uit voornamelijk Creil en Espel naar de regio rond Dronten, in Oostelijk Flevoland. Van hun landerijen bij Creil en Espel werd een klein aantal grotere kavels gemaakt. Deze kavels werden vergeven aan bollentelers uit Noord-Holland. „Het voordeel van de Noordoostpolder is dat het grondwater goed weg kan. Dat is een voorwaarde voor het telen van bollen. En door de opkomst van nieuwe technieken is de teelt ook op meer plaatsen mogelijk.”

Inmiddels is ongeveer een twaalfde deel van alle landbouwgrond in het gebied in gebruik voor de bollenteelt, wat neerkomt op 3500 tot 4000 hectare. „Daarmee is het de grootste of op een na grootste bollenstreek van Nederland.” Het leeuwendeel bestaat uit tulpen, maar ook gladiolen en lelies worden veel geteeld.

Toch denken veel Nederlanders bij bollenteelt in de eerste plaats aan Hillegom en Lisse. Schutte herkent dat overigens niet helemaal. „In april en mei staan in de Noordoostpolder files van mensen die de bloemen op de foto zetten. We maken er ook veel reclame voor. En er zijn fiets- en autoroutes.”

De bollenteelt drukt ook economisch gezien een stempel op de regio. „Er zijn in de gemeente ongeveer 250 bollenbedrijven. Daar werken zo’n duizend mensen. Daarnaast werken er nog eens duizend mensen in aanverwante sectoren.”

Van alle bollen gaat 80 procent naar exporteurs in Noord- en Zuid-Holland. Van daaruit vinden de bollen hun weg naar onder andere Duitsland, Noorwegen, Amerika, Japan, Rusland, Engeland en Italië. „De handel in bollen wordt vooral in de omgeving van Hillegom gedaan. In de Noordoostpolder gaat het voor het grootste deel om de productie.”

Schutte zag zijn eigen bedrijf in de loop van de jaren groeien. Hij begon in 1973 bij Creil met zo’n 12 hectare. Later verhuisde hij naar Nagele. Daar groeide het bedrijf naar zo’n 100 hectare bollen. Bovendien verbouwd het bedrijf graan en worden er plantuitjes geteeld. Van 2006 tot 2010 combineerde de nu zestigjarige Schutte zijn wethouderschap met het leidinggeven aan zijn onderneming. Vorig jaar besloot hij het bedrijf over te dragen aan zijn zoon. Nu houdt Schutte zich vanuit zijn wethouderschap onder meer bezig met zaken die verwant zijn aan de vele landbouw in het gebied.

Dit is het tweede artikel in een serie over 25 jaar Flevoland. Lees hier het eerste artikel.