„Archeologie steeds belangrijker voor herinnering aan WOII”

Een onderzoeker bij de resten van een Duitse luchtafweerstelling op de Veluwe. beeld Ruurd Kok
4

Sprekende getuigen die de Tweede Wereldoorlog hebben meegemaakt, vallen langzamerhand weg. Stille getuigen worden belangrijker: sporen in het landschap onder en boven het maaiveld die herinneren aan de bewogen periode. Hier ligt een taak voor de archeologie.

Hij was nog maar 21: Unteroffizier Horst Quietzsch uit Leipzig. Op 30 januari 1944 stortte hij met zijn jachtvliegtuig na een luchtgevecht neer in een weiland in Wenum-Wiesel, ten noorden van Apeldoorn. Bij de berging van de Messerschmitt Bf109G-6 in 2010, door defensie, keken archeologen mee.

Martijn Reinders was er als student bij betrokken. „Enkele aangetroffen bezittingen van de omgekomen vlieger brachten de Tweede Wereldoorlog wel heel erg dichtbij. Het aangrijpendst was een schakelarmbandje met engel en klavertjevier met daarop de woorden ”Kehre Wieder” (Kom terug). Het liet de andere kant van de oorlog zien: een jonge gesneuvelde, Duitse vlieger als slachtoffer van de Tweede Wereldoorlog en de wens van een geliefde dat hij heelhuids terugkomt.”

Reinders is inmiddels archeoloog bij bureau Greenhouse Advies. Sporen van de Tweede Wereldoorlog interesseren hem beroepsmatig, maar ook persoonlijk. Afgelopen zomer legde hij met dronebeelden een groene zigzaglijn door het gele gras langs de oever van de IJssel bij Westervoort vast.

De droogte had een Duitse loopgravenlinie van eind 1944 zichtbaar gemaakt. Reinders deed ook archeologisch veldonderzoek naar het verbindingscentrum Teerose III van de Duitse Luftwaffe op vliegveld Deelen bij Arnhem, waarover nauwelijks documentatie beschikbaar is. In het landschap bleken nog diverse resten van antennemasten, een radarapparaat en gebouwen aanwezig te zijn, die hij uitgebreid analyseerde. „Ik vond er ook Franse hulzen, van schietoefeningen met buitgemaakte munitie.”

Taxiënde vliegtuigen

Deelen, dat de Duitsers in de oorlog aanlegden, is door de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed aangewezen als wettelijk beschermd monument. Gebouwencomplexen en enkele sporen in het landschap, zoals resten van rolbanen (voor de taxiënde vliegtuigen) en opstelplaatsen, zijn daarmee veiliggesteld.

Archeoloog Ruurd Kok van onderzoeks- en adviesbureau RAAP vindt dat niet voldoende. „Buiten de bescherming vallen de resten van luchtafweerstellingen en heideterreinen met opmerkelijke greppelpatronen als maatregel tegen geallieerde vliegtuiglandingen. Dat waren juist essentiële onderdelen van de verdediging van het vliegveld.”

Gebouwde monumenten uit de oorlog krijgen volgens Kok steeds meer aandacht. „Het grootste deel van het oorlogserfgoed blijft daarmee echter buiten beeld.” Ten onrechte, schreef de archeoloog eerder in een artikel op het internetplatform Historiën: „Onder- en bovengrondse overblijfselen van de oorlog zijn in veel gevallen onlosmakelijk met elkaar verbonden. Bouwwerken zoals bunkers en kazematten kunnen niet los worden gezien van het bijbehorende systeem van loopgraven en antitankgrachten. Bovengrondse resten vertellen maar een deel van het verhaal. Zo is de geschiedenis van het verzet in Nederland niet compleet zonder de vele onderduikersholen in de bossen.”

Stille getuigen

Loopgraven, schuttersputten, geschutstellingen en bomkraters zijn op veel plekken nog in het landschap te zien, aldus Kok. „Nog veel meer oorlogsmateriaal ligt onzichtbaar verborgen onder de grond: patroon- en granaathulzen, uitrustingsstukken, persoonlijke bezittingen en wrakstukken van vliegtuigen en voertuigen.”

Deze stille getuigen van een belangrijke periode uit de recente geschiedenis zijn amper in kaart gebracht. Kok: „Over de Tweede Wereldoorlog zijn heel veel historische bronnen beschikbaar, maar die laten toch vragen over, bijvoorbeeld over de exacte locatie van een vliegtuigcrash, de inrichting van een verdedigingslinie of het gebruik van een radiopeilstation. Archeologie kan een goede aanvulling bieden.”

Zelf deed Kok onder meer onderzoek naar de restanten tussen Katwijk en Scheveningen van de Atlantikwall, de ruim 5000 kilometer lange Duitse verdedigingslinie langs de kust, van Noorwegen tot Spanje. „We kennen natuurlijk de Duitse plannen hoe die linie moest worden aangelegd, er zijn schetsen van het verzet, met gevaar voor eigen leven gemaakt, er zijn geallieerde luchtfoto’s. Maar of die plannen ook zo gerealiseerd zijn, hoe die loopgraven en stellingen er werkelijk bijlagen en hoe ze waren ingericht, kom je pas te weten door ernaartoe te gaan en sporen in het veld in te meten. Als je in het terrein staat, snap je vaak ook pas echt waarom stellingen en loopgraven op die bepaalde plek lagen. Op een hoger gelegen duin bijvoorbeeld met uitzicht op een weg naar het strand. Dat landschappelijke aspect is heel waardevol.”

Lege bierflessen

Ook de Atlantikwall is veel meer dan alleen de bunkers en de betonnen muren die iedereen kan waarnemen. Kok: „Tussen Katwijk en Wassenaar zijn volop restanten van de linie te vinden. Ik kan zo de loopgraven en stellingen aanwijzen. In feite is het hele duinengebied één groot militair landschap met talloze sporen uit de oorlog. Bijna iedereen fietst of wandelt er gewoon aan voorbij. Wie enkel naar de bunkers kijkt, heeft het plaatje niet compleet. Waar geen bunkers waren, lag het vol met loopgraven en stellingen. De Duitsers lieten uiteraard geen gaten vallen in de kustverdediging.”

Bij een van de bunkers van de Atlantikwall vonden de onderzoekers een afvalkuil met een grote partij lege bierflessen. „De Duitsers waren de vijand, maar die militairen waren ook gewoon jonge knullen die daar in de duinen de wacht hielden, zich vaak stierlijk verveelden en er maar het beste van probeerden te maken. Zo’n vondst is weer een persoonlijke noot bij de oorlog.”

De belangstelling voor de archeologie van de Tweede Wereldoorlog groeit, merkt Kok. „RAAP krijgt tenminste steeds meer opdrachten van gemeenten voor archeologisch onderzoek. Dat is in Nederland gekoppeld aan de ruimtelijke ordening. Een toenemend aantal gemeenten heeft de Tweede Wereldoorlog op hun archeologische waardenkaarten geplaatst. Bij bouw- en uitbreidingsplannen moet dan onderzoek worden gedaan op plekken waar resten en sporen van de oorlog worden verwacht. Die ontwikkeling heeft, behalve met enthousiasme en een voortrekkersrol van enkele archeologen, te maken met de oude archeologiewetgeving die stelde dat iets pas archeologisch interessant was als het ouder was dan vijftig jaar. Tot in de jaren 90 maakte geen archeoloog zich druk om resten uit de Tweede Wereldoorlog. Volgens de wetgeving waren ze immers geen archeologie. Met het verstrijken van die vijftigjaargrens, die overigens nu niet meer bestaat, begonnen enkele archeologen zich te realiseren: Wacht eens even, de Tweede Wereldoorlog is een halve eeuw geleden en kan dus ook archeologisch interessant zijn.”

In lang niet alle gemeenten staan de sporen van de Tweede Wereldoorlog al op de archeologische beleidskaarten. „Dat merk je bij een onderzoek als dat naar de Atlantikwall, die de gemeentegrenzen overstijgt”, zegt Kok. Hij pleit voor één landelijke lijn. Bij de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed staat deze kwestie op de agenda, zegt woordvoerder Dolf Muller. „We zien het hiaat, maar zijn nog bezig met verkenningen. Begin 2019 moet er een eerste advies op tafel liggen welk beleid we in dezen precies moeten gaan voeren.”

Zachte resten

Martijn Reinders blijft ondertussen speuren naar oorlogssporen. „Vooral de zogeheten zachte resten zijn onbeschermd. In Het Nationale Park De Hoge Veluwe, waar een groot deel van het Duitse vliegveld Deelen lag, zag een vriend van mij witte betonblokken terzijde van een voormalige rolbaan. Waarschijnlijk markeringen voor de vliegers in het donker. We hebben ze geregistreerd. Bij een volgend bezoek waren ze weg. Vermoedelijk verwijderd door parkpersoneel.”

De interesse van Reinders is wel begrensd. „Een voorwerp dient een context te hebben. Het moet bijvoorbeeld gevonden zijn op een plek waar een gevecht is geweest waaraan het dan te koppelen is. Zomaar een helm die op een beurs of via internet te koop is, zonder enig verhaal erbij, doet mij persoonlijk niets.”

Behoefte aan ankerpunten

„In 1960 was er nog geen archeologie van de Tweede Wereldoorlog, omdat er toen nog vele levende getuigen waren die de oorlog tot in hun diepste vezels hadden beleefd”, zegt dr. Joost Rosendaal, historicus aan de Radboud Universiteit Nijmegen en voorzitter van WO2GLD, een netwerkorganisatie voor ”het levend houden van de herinnering aan de Tweede Wereldoorlog in Gelderland”.

„Het aantal personen dat uit eigen ervaring over de oorlog kan vertellen neemt nu met het jaar af. We kennen de verhalen uit de overlevering, maar hebben ook steeds meer concrete plekken en voorwerpen nodig als ”ankerpunten van de herinnering”, waardoor je het verleden ziet en voelt. Daarmee komt de archeologie in beeld.”

De opgravingen van gaskamers van vernietigingskamp Sobibor zijn voor Rosendaal een sprekend voorbeeld. „Uit documenten wisten we dat daar zoveel duizenden Joden vermoord zijn, maar met de vondst van de gaskamers wordt dat tastbaarder en besef je eens te meer wat voor gruwel daar heeft plaatsgehad. De oorlog wordt zichtbaar.”

Zeker ook internationaal wordt de archeologie van de Tweede Wereldoorlog gaandeweg meer omarmd, zegt Rosendaal. „Neem de Führerbunker in Berlijn, de bunker voor de chauffeurs van Hitler en andere nazi-kopstukken. Jarenlang stond die in niemandsland. Na de val van de Muur in 1990 gingen archeologen de kelder in en documenteerden ze muurschilderingen en voorwerpen. Vervolgens is de boel op slot gedaan, uit angst dat neonazi’s er op af zouden komen. Sinds een paar jaar is er in een andere bunker een reconstructie van die bunker die er nog steeds is, zodat mensen er toch een ervaring van kunnen hebben. Ik verwacht dat het een kwestie van tijd is dat de echte bunker weer opengaat. Het Oostenrijkse parlement wilde het geboortehuis van Hitler vijf jaar geleden nog slopen, nu wordt er mogelijk een informatiecentrum over het nazisme ingericht. In Nederland hebben we de Muur van Mussert bij Lunteren. Als je het goede verhaal vertelt en duidelijk maakt dat iets onderdeel was van een zeer kwalijk regime, ben ik niet zo bang dat het neonazi’s zal aantrekken.”

Er is wel werk aan de winkel. Wat bijvoorbeeld te doen met de inscripties die Canadese militairen, gereed voor de definitieve aanval op het Duitse Rijnland, in 1945 in de bossen bij Beek en Ubbergen in de bomen kerfden. Ze zouden op z’n minst moeten worden gedocumenteerd voordat ze verder in de bomen vergroeien, vindt Rosendaal.

Niet alleen archeologie, ook onderhoud is nodig. Rosendaal denkt aan het Perimeterpad in Oosterbeek, langs de verdedigingslinie van de Britse paratroepers in september 1944. „Die loopgraven, die zijn overgroeid, zouden beter zichtbaar moeten worden gemaakt. Er staat een bordje met uitleg, maar verder zie je van die linie niets meer. Zo trekt het pad op een gegeven moment geen wandelaars meer. Gelukkig heeft het de aandacht van de gemeente.”