Anesthesioloog Paul Lieverse heeft geen angst voor de dood

Paul Lieverse. beeld Sjaak Verboom Sjaak Verboom
2

Al meer dan 25 jaar werkt Paul Lieverse in de Daniel den Hoedkliniek in Rotterdam. De dagelijkse omgang met kanker bezorgt hem geen angst voor de ziekte. „Door mijn geloofsleven heb ik een besef van mijn sterfelijkheid en weet ik die een plaats te geven.”

Het kamertje van anesthesioloog Paul Lieverse is geen anderhalve meter breed. Vanaf zijn bureau­stoel houdt hij via beeldschermen de conditie van patiënten op de operatie­kamers in de gaten, zelfs nu hij geen dienst heeft. Het is een tweede natuur geworden, al is hij niet alleen geïnteresseerd in de fysieke conditie van zijn patiënten. Hun psychisch en geestelijk welbevinden gaat hem evenzeer ter harte.

Veel mensen schrikken als de naam 
Daniel den Hoedkliniek valt.

„Dat weet ik. Het is niet mooi als je hiernaartoe moet. Daar staat tegenover dat we veel behandelmogelijkheden bieden en mensen niet als een nummer, maar als een persoon zien. Een persoon met een groot probleem.”

Wordt kanker gewoon als je er dagelijks mee te maken hebt?

„Ik weet niet of het oneerbiedig klinkt, maar dat is inderdaad het geval. Terwijl er aan de genezingskans niet zo heel veel is veranderd. Wel is de gemiddelde over­levingsduur sterk toegenomen.”

Hou zou u reageren als u zelf te horen zou krijgen dat u ziekte hebt?

„Door mijn geloofsleven heb ik een besef van mijn sterfelijkheid en weet ik die een plaats te geven, maar je weet vooraf nooit wat het met je doet als je zo’n boodschap krijgt. Tijdens cursussen voor artsen wordt soms dezelfde vraag gesteld. Alle aanwezigen weten dan hoe ze zullen reageren. Heel begripvol tegenover de behandelaar, ze zullen de boodschap open bespreken met hun partner en tijdig dingen gaan regelen. Allemaal zaken die je in de praktijk mis ziet gaan als de fictie werkelijkheid wordt. Artsen zijn niet anders dan andere mensen. Ook zij worden door zo’n boodschap vaak depressief, apathisch of juist heel boos en passeren alle bergen en dalen die bij het proces van een ongeneeslijke ziekte horen.”

Welke houding past een arts die zo’n boodschap moet brengen?

„Belangrijk vind ik dat hij eerlijk vertelt wat er aan de hand is en vervolgens de regie bij de patiënt legt. „Wilt u er nu over doorpraten, of liever later?” Die houding is ook in het vervolg van het ziekte­proces gewenst. Er is zelden sprake van één slechtnieuwsgesprek. In mijn werk moet ik mensen regelmatig uitleggen wat de mogelijkheden zijn, maar ook wat niet meer mogelijk of zinvol is. Niet elk gesprek is gemakkelijk, maar deze begeleiding van patiënten vind ik een wezenlijke kant van mijn beroep.”

Merken ze aan u dat ze met een christenarts praten?

„Niet per definitie, daarvoor is het contact vaak te kort. Wel denk ik dat ze me een toffe arts vinden. Het doet me goed als een patiënt met een bedrukt gezicht binnenkomt en met een glimlach om de mond vertrekt. Het doel van het patiëntencontact is voor mij niet dat de ander mij als christen gaat zien. Wel heb ik voelsprieten voor levensbeschouwelijke elementen in het gesprek. Daar haak ik op in. Zo nu en dan werp ik een visje uit. „Ik vind het knap dat u zo opgewekt blijft, hoe krijgt u dat voor elkaar?” Vindt iemand het prettig om daar wat over te delen, dan doen we dat. Anders niet. Ik ben in mijn werk gefocust op de persoon die ik voor me heb en op mijn vak, vanuit de roeping die ik daarvoor voel.”

Begon u de studie met dat roepings­besef?

„Absoluut niet. Ik ben opgegroeid in een vrijzinnig rooms-katholiek gezin. In het begin van mijn studietijd hield ik me bezig met yoga en spiritisme. Door het contact met een christelijke scheikundestudent, lid van de Navigators, ging ik de Bijbel lezen. In het tweede jaar van mijn studie ben ik tot geloof in Jezus Christus gekomen. Ik herinner me nog goed dat ik voor het eerst op de knieën ging om te bidden. Het was voor mij iets heel bijzonders dat ik kon spreken tot de Almachtige, de Schepper van hemel en aarde. Ik ging andere keuzes maken, kreeg nieuwe vrienden en verloor bestaande vrienden. Omdat het christelijk geloof alles doortrekt, veranderde ook mijn visie op de studie en de geneeskunde. Van een beroep werd het een roeping.”

Hoe moeilijk is het om dagelijks om te gaan met ernstig zieke mensen die dat geestelijk perspectief veelal niet hebben?

„Soms overvalt me dat meer dan andere keren. Het is voor mij ook niet verbonden aan het contact met patiënten. Ik heb het niet minder in de omgang met ongelovige collega’s of mensen in de straat waar ik woon. In die kring vind ik het gemakkelijker om over God te spreken. Patiënten ontmoet ik in een professionele setting. Bovendien verkeren ze in een afhankelijke situatie, waardoor ze het mogelijk lastig vinden om aan te geven dat ze niet gediend zijn van zo’n gesprek. Dat maakt me voorzichtig.”

Na uw specialisatie werkte u een paar jaar in China. Waarom?

„Een mix van factoren: reislust, belang­stelling voor China en een ideële motivatie. In mijn optiek waren er in Nederland al voldoende christenartsen. Ik wilde graag iets in China betekenen en heb in ziekenhuizen in de miljoenensteden Chengdu en Kunming gewerkt, als docent en praktiserend anesthesioloog. Op de dag van mijn aankomst in Chengdu arriveerde ook een jonge man uit een ander deel van China. Hij sprak een paar woorden Engels, ik een paar woorden Chinees. Toen ik me voorstelde, zei hij in het Chinees: „Dat was de naam van een vriend van Jezus.”

„Dat ben ik ook”, antwoordde ik.

Meteen legde hij een vinger op de lippen. In de pauze hebben we buiten een rustig plekje opgezocht en de Bijbel erbij gepakt. Ik mijn Engelse, hij zijn Chinese. Toen we elkaar beter konden verstaan, vertelde hij me dat zijn vader voorganger in een gemeente van de Drie-Zelfkerk was. Zijn ouders hadden voor zijn vertrek gebeden of hun zoon, die voor stage naar Chengdu moest, daar een gemeente of medechristenen zou mogen vinden. Sinds ik christen ben, geloof ik niet meer in toeval. Zeker in China heb ik meer dan eens op bijzondere wijze de leiding van God ervaren.”

Hebben die drie jaren u gestempeld?

„Dat is een groot woord, maar ik heb er veel geleerd en een blijvende betrokkenheid gehouden op mensen die zendingswerk doen in gesloten landen. Het spreekt me ook bijzonder aan als artsen uit de kring van de Christian Medical Fellowship voor kortere of langere tijd dienstbaar zijn in Azië of Afrika.”

Hoe kwam u in de Daniel den Hoedkliniek terecht?

„Vanuit China had ik een vriend gevraagd om uit te zien naar een plek waar ik kon waarnemen, ter overbrugging van de periode naar een vaste betrekking. Hier hadden ze iemand voor een paar weken nodig. Dat werden maanden. Na een jaar kwam er een officiële vacature. Ik heb mee gesolliciteerd, ben aangenomen en gebleven, door de inhoud van het werk en de sfeer binnen dit instituut. De contacten zijn vriendschappelijk, de lijnen kort.”

Gaf uw overtuiging nooit fricties?

„In de begintijd een enkele keer, voornamelijk door de onhandige opstelling van mezelf in gesprekken en discussies. Inmiddels is bekend hoe ik denk. Als een patiënt een euthanasieverzoek heeft neergelegd, vragen collega’s ook mij voor de bespreking, terwijl men weet dat ik euthanasie afwijs.”

Vrijwel maandelijks krijgt u zelf een verzoek om euthanasie. Hoe lastig is het om iedere keer hetzelfde verhaal te moeten vertellen?

„Het is nooit hetzelfde verhaal, omdat de situatie nooit exact gelijk is. Bovendien is het verzoek vaak meer een uiten van nood. Dat geeft me de ruimte om te spreken over de inhoud van die nood.

Zodra mensen voor de eerste keer direct of indirect aangeven dat ze euthanasie overwegen, geef ik meteen aan dat ik daar niet aan meewerk, maar ik vertel hun ook dat ik er alles aan zal doen om hun klachten te verlichten.”

In 2014 won u de Christelijke Zorg Award van zorgverzekeraar Pro Life. Noemt u uzelf prolifearts?

„Dat woord gebruik ik eigenlijk niet. Het kan wat triomfantelijk overkomen. Recent was ik op een congres in Centraal-Azië. Daar ontmoette ik een christenarts die in Oekraïne een beweging heeft opgericht voor vrouwen die aan een abortus psychische of lichamelijke problemen hebben overgehouden. Ze heeft deze organisatie de naam Choose life gegeven. Dat vond ik een mooie variant. Kies bij een volgende zwanger­schap voor het leven van je ongeboren kind, kies voor de rijkdom van het leven, kies voor een leven met God.”

Wat betekent het contact met mede­christenen binnen de Christian Medical Fellowship voor u?

„Als voorzitter ben ik vooral taakgericht bezig, maar de samenwerking met andere christenartsen en -studenten vind ik geestelijk zeer verrijkend. Ik zie dat jonge christen­artsen behoefte hebben aan de steun van ervaren collega’s, ook in algemene zin. Er komt in dit werk veel op mensen af.

Daarnaast is er de vraag hoe het persoonlijk geloof gestalte te geven in de medische praktijk. Ik vind het mooi om daarin een rolmodel te kunnen zijn. We zien vooral een aanwas van jonge leden.”

De achterban is kerkelijk behoorlijk gemêleerd. Ervaart u dat als lastig?

„Helemaal niet. Het zijn de naam van Christus en de gemeenschappelijke doelstelling die ons binden, niet de kerkelijke achtergrond, de vorm van conferenties of de Bijbel­vertaling die wordt gebruikt, om maar wat te noemen. Zelf sta ik in het grensveld van de reformatorische en de evangelische wereld, dus ik ken beide terreinen. Theologen als Jong Stott, Alister McGrath en de Bijbelcommentator William Hendriksen hebben veel voor me betekend.”

Tal van patiënten zag u na kortere of langere tijd overlijden. Bent u daardoor anders tegen het leven aan gaan kijken?

„Niet zozeer. Ik heb altijd iets beschouwelijks gehad en als christen heb je perspectief. In 2009 kreeg ik heel veel last van aangezichtspijn. Daar heb ik me aan laten opereren. De uitslag was ongewis. Om rustig na te kunnen denken over de mogelijke gevolgen, ben ik met de trein naar het ziekenhuis gereisd voor het eerste gesprek met de behandelend arts. In een boekje dat ik tijdens die rit las, stond een gezang van William Cowper, een man die leed aan ernstige depressiviteit. Een van de coupletten heeft me bijzonder getroost.

Ye fearful saints, fresh courage take;

The clouds ye so much dread

Are big with mercy and shall break

In blessings on your head.

Ik ben niet ongevoelig voor de zorgen en de moeiten in het leven –een christen is geen robot– maar ze brengen me niet uit het lood. Achter de wolken weet ik de Vaderlijke hand en zorg van God.”

Het leven is mij Christus, het sterven gewin, zei Paulus. Herkenbaar?

„Ik heb van nabij gezien hoe moeilijk het stervensproces kan zijn, maar ik ben niet bang voor de dood. Omdat ik ervan overtuigd ben dat God ook dan er bij zal zijn.”


Levensloop Paul Lieverse

Paul Lieverse (Leerdam, 1954) studeert in Utrecht geneeskunde en specialiseert zich aansluitend in de anesthesiologie aan het Radboud Universitair Medisch Centrum in Nijmegen. Na afronding van zijn specia­lisatie werkt hij gedurende drie jaar in verschillende ziekenhuizen in China. In 1989 treedt hij als anesthesioloog in dienst van de Daniel den Hoedkliniek in Rotterdam, een van de bekendste kankercentra van Nederland en inmiddels onderdeel van het Erasmus Medisch Centrum. In 2009 wordt hij verkozen tot voorzitter van de Christian Medical Fellow­ship Nederland. Lieverse is gehuwd en vader van een dochter en een zoon.