Afscheid Ed van Hell: in gesprek met twee cliënten

Hans Geneugelink (r.) en Ed van Hell kennen elkaar van de zondagse kerkdiensten in het Rotterdamse dienstencentrum van stichting Ontmoeting. beeld Roel Dijkstra Fotografie, Marc Heeman
2

Na een kwarteeuw vertrekt Ed van Hell als directeur-bestuurder van Ontmoeting. Op 8 november is zijn afscheidsreceptie. Voorafgaand aan deze bijeenkomst kijkt hij met twee cliënten die hij al jaren kent terug op de afgelopen periode.

„Zonder jou had ik hier niet gezeten”

John Nijhof (52) en Ed van Hell kennen elkaar van de locatie Epe, de plek waar Ontmoeting een woon-werktraject biedt aan ex-gedetineerde mannen. „Ik heb John voor het eerst ontmoet toen hij buiten stond te schilderen”, zegt Ed van Hell. „Volgens mij was dat in 2000. Ik vroeg hoe het ging en toen kreeg ik een stoer verhaal. Het heeft bij hem wel even geduurd voordat hij erkende hulp nodig te hebben.”

John, lachend: „Klopt, ik ben een einzelgänger. Ik vond het programma eerst maar niks.”

In die tijd kwam Ed („noem me maar gewoon bij mijn voornaam”) als directeur van Ontmoeting vanuit de hoofdlocatie in Rotterdam één of twee keer per week met de trein naar Epe. Dan maakte hij een praatje met de mannen die daar zaten en dronken ze samen koffie. John: „Dat vond ik zo leuk aan hem, hij kwam altijd naar ons toe. Daarom vertrouwden we hem ook.”

John Nijhof was vroeger alcoholverslaafd en heeft een verleden als draaideurcrimineel. Na het behandeltraject in Epe ging het lange tijd goed met hem, tot hij in 2017 een terugval kreeg. Nu zit hij in een Thuishaven van Ontmoeting in Apeldoorn, in afwachting van zijn eigen appartement. Het gesprek vindt plaats in de woonkamer van de Thuishaven, want in Johns kamer zit een konijn en daar is Ed allergisch voor. John: „Dat is mijn therapiekonijn, werkt als een trein. Als ik stress heb en ik pak mijn beestje op, dan zakt alles weg.”

„Jij hebt altijd al iets met dieren gehad”, voegt Ed toe. „In Epe verzorgde je de geiten.” John: „Ik gaf ze de namen van het personeel.”

Beide mannen halen herinneringen op aan de tijd in Epe. De ene anekdote na de ander vliegt over tafel. Neem die keer met de waterput. „Er mocht geen alcohol op het terrein”, vertelt John. „Toch hebben we een keer een paar blikjes bier meegesmokkeld en die verstopt in een lege waterput in het bos. ’s Avonds kwamen we terug om ze op te halen. Maar in de tas zat bij de blikjes een briefje, met de tekst: „Je bent een vent als je zegt wie je bent. Hartelijke groet, Ed.”

Ed: „Later hebben we daar een goed gesprek over gehad. Regels zijn belangrijk. Het paste wel bij John om de randjes op te zoeken, alleen maar om te kijken hoe wij zouden reageren.”

John moest in het begin wennen aan het christelijke karakter van Ontmoeting. Drie keer per dag Bijbellezen, naar de kerk; dat lag hem niet zo. „In het begin heb ik me ertegen verzet, maar je went eraan. Op een gegeven moment draaide ik zelfs mee als vrijwilliger bij de vakantiebijbelweek. Nu ga ik nog steeds naar de kerk.”

Ed, serieus: „Heb je ervaren dat God echt bestaat? Ervaren, niet beredeneerd?” John, na even nadenken: „Ja, ik denk het wel. Zo kwam ik vroeger vaak langs het landgoed waar ik nu werk als vrijwilliger. Toen dacht ik: als ik daar toch eens zou kunnen werken... Nu is dat zo. En mijn familie heeft me in mijn nekvel gegrepen toen het weer mis met me ging. Toeval bestaat niet. Ik heb het idee dat God dit heeft gestuurd.”

Het gesprek komt op het afscheid van Ed als directeur. „Ik ben blij dat je met Ontmoeting begonnen bent, anders had ik hier niet gezeten”, zegt John. Ed: „Ik ben dankbaar dat ik dit heb mogen doen. Dat jij dit nu tegen mij zegt, voelt als een cadeautje.”

„Voor Ed maakte ik altijd tijd”

Hans Geneugelink (r.) en Ed van Hell kennen elkaar van de zondagse kerkdiensten in het Rotterdamse dienstencentrum van stichting Ontmoeting. beeld Roel Dijkstra Fotografie, Marc Heeman

Ze hebben elkaar ongeveer een jaar niet gezien. Bij binnenkomst schrikt Ed van Hell een beetje van de gezondheid van Hans Geneugelink (56), cliënt van Ontmoeting. „Ongelooflijk dat ik je weer zie, kerel. We worden allemaal een dagje ouder, jij ook.”

Hans: „Ik maak me niet meer zo druk.” Ed: „Ik zie het.”

Hans is tientallen jaren lang verslaafd geweest aan heroïne. Nu gebruikt hij methadon, een pijnstillend middel dat als vervanging voor heroïne wordt ingezet. Toen hij Ed leerde kennen, gebruikte hij nog volop. „Dan heb je weinig tijd en energie voor intensief contact met iemand, maar voor Ed maakte ik altijd tijd”, zegt Hans. „Fijn om met iemand te praten die op de goede richting georiënteerd is. En sowieso prettig dat iemand een gesprek met je wil voeren.”

De twee mannen kennen elkaar van de zondagse bijeenkomsten in het dienstencentrum van Ontmoeting in Rotterdam. Na de dienst was er ruimte voor gesprek. Ed: „Langzaam merkte ik aan de diepe vragen die je stelde dat je houding tegenover het geloof veranderde. Je vragen gingen steeds meer over Jezus.” „De voleinder des geloofs”, vult Hans aan. Ed: „Later ging je op straat uit de Bijbel voorlezen.”

In die tijd zat Hans ook regelmatig in de gevangenis. Dan ging Ed bij hem langs. Hans: „Er kwam een bewaker mijn cel in, die zei: Er is een of andere dominee voor je. Ik wist van niks, maar elke seconde dat je uit de cel bent is meegenomen. Dus ik ging mee. Zag ik Ed ineens zitten.”

Ed: „Ik vroeg toen: Wat vind je het moeilijkste hier? Weet je nog wat je antwoord was? Hoe ik hier tot eer van God kan leven.” Hans: „O ja. Ik hield er niet van om tussen gebruikers te zitten. Iedereen stal van elkaar. Hopeloos. Maar goed, ik ben zelf ook hopeloos.”

Sinds 2010 heeft hij niet meer in de cel gezeten. Hij woont nu in een klein appartement driehoog in Rotterdam. Af en toe verkoopt hij nog straatkranten, maar meestal zit hij binnen. Al lezend. „Ik vind dat je rustiger geworden bent”, zegt Ed. „Waar komt die rust vandaan?” „Mijn rust komt uit de Heer”, zegt Hans. Hij begint Psalm 121 op te zeggen. Ed: „Geloof je dat echt?” „Ja, ik maak Gods nabijheid mee. Al ben ik niet iemand die in de pinkstergemeente gaat staan ronddansen en springen. Ik kwam pas bij een gemeente hier, maar ze lieten me niet eens binnen. Vanwege mijn uiterlijk. Toen zei ik tegen hen: Als Jezus er ook zo over gedacht had, zat het helemaal leeg hier.” Ed, lachend: „Hans, daar heb je nou helemaal gelijk in.”

Het gesprek komt op de toekomst. Ed maakt zich zorgen over de gezondheid van Hans. „Als het je tijd is, is het je tijd. Ik zie niet tegen het eind op”, zegt Hans. „Zoek de Heere als je jong bent. Als je oud bent, dan grijp je je aan strohalmen vast.”

Ed: „Heb jij God gezocht toen je jong was?” Hans: „Ja, in het begin sluimerend. Toen strompelde ik er als het ware gewoon tegenaan. Ik ben er met mijn neus in gedouwd.”

Ed: „En toch is het fout gegaan in je leven.” Hans, verontwaardigd: „Ja, dat ligt aan mijn persoonlijkheid. Niet aan God.”

Na een halfuur praten nemen de mannen afscheid van elkaar. Ed klopt Hans op de schouder. „Kerel, je bent bij mijn afscheid hé? Het is op 8 november.” Hans: „Ik ga mijn best doen.” Hij herhaalt het nog een keer.

Later, buiten op straat, zegt Ed: „Vroeger zei Hans altijd dat hij evangelist wilde worden. Dat is hij ook echt geworden, tussen de straatmensen.”