Advies: Pas schema kinkhoestvaccinatie aan

Vanaf volgend jaar krijgen zwangere vrouwen bij een zwangerschapsduur van 28 tot 32 weken een vaccinatie tegen kinkhoest aangeboden. beeld iStock

Het vaccinatieschema tegen kinkhoest voor baby’s kan voor de meeste kinderen worden aangepast.

Dat bleek dinsdag uit een advies van de Gezondheidsraad. Zwangere vrouwen krijgen vanaf volgend jaar bij een zwangerschapsduur van 28 tot 32 weken met uitloop naar 38 weken een inenting aangeboden tegen kinkhoest. Na vaccinatie van de moeder maakt het ongeboren kind ook antistoffen aan tegen de ziekte. Door de moeder in te enten, kan de huidige eerste prik van zuigelingen tegen kinkhoest twee maanden na de geboorte vervallen, aldus de Gezondheidsraad.

In een nieuw vaccinatieschema wordt een vervolgprik, een combinatievaccin tegen kinkhoest, difterie, polio, tetanus, hepatitis B en Hib –een bacterie die hersenvliesontsteking kan veroorzaken– voor het eerst aangeboden op de leeftijd van drie maanden. Met vijf maanden volgt een herhaling.

2018-12-01-OPN1-Kinkhoestvaccinatie-6-FC-V_webKinkhoestprik zwangere bedreigt Rijksvaccinatieprogramma

Het Geneesmiddelenbulletin (GeBu) en het RIVM zijn het niet eens met elkaar over de invoering van de kinkhoestvaccinatie tijdens de zwangerschap, meldt het artsenblad Medisch Contact. Apotheker Marielle Nieuwhof noemt de invoering in 2019 voorbarig. Ze schrijft op de website van het GeBu een uitvoerig artikelover de kinkhoestprik voor zwangeren. Er is volgens haar te weinig bewijs voor effectiviteit, omdat die slechts is aangetoond in zogeheten casecontrol- en cohortstudies die een beperkte bewijskracht hebben. Bij dit soort studies heeft onderzoek plaats bij respectievelijk individuen en in grotere populaties. Dubbelblind gerandomiseerd onderzoek, waarbij twee groepen met elkaar worden vergeleken, voorziet wel in voldoende bewijskracht, aldus Nieuwhof.

Het RIVM stelt in een reactie in Medisch Contact dat er genoeg wetenschappelijk bewijs is dat baby’s effectief worden beschermd tegen kinkhoest en de complicaties daarvan. De werkzaamheid bij baby’s jonger dan twee tot drie maanden zou tussen 69 en 91 procent variëren. Als kinderen van gevaccineerde moeders toch kinkhoest kregen, zou deze minder heftig en gecompliceerd verlopen dan bij kinderen van niet-ingeënte moeders.

Van Vliet, programmamanager van het Rijksvaccinatieprogramma (RVP) bij het RIVM: „Bij het GeBu heerst een heilig geloof in gerandomiseerde, gecontroleerde studies, maar dat is niet houdbaar in dit geval. Er is geen wetenschappelijke discussie over de effectiviteit: met deze vaccinatie voorkom je kinkhoestgevallen.”

Van Vliet geeft aan „verbaasd en een beetje boos” te zijn over de manier hoe het GeBu handelt. „Wij kregen het stuk toegestuurd voor het werd gepubliceerd en hebben daarop onze bezwaren laten weten, en geadviseerd om dit niet te publiceren. Dat is toch gebeurd (...) Wij hebben dit bij het ministerie van VWS, de subsidiegever van het GeBu, aangekaart. We vinden het een uitglijder.”

Nieuwhof stelt dat er bij de redactie van het GeBu ook is nagedacht over de consequenties van publiceren. „Ik denk dat we geen informatie moeten achterhouden. Als je een gebrek aan bewijs niet benoemt en mensen komen daar later achter, dan ontstaat er scepsis.” Nieuwhof benadrukt dat het RVP bewezen van nut is. „Laten we ons richten op wat overduidelijk bewezen effectief is en niet introduceren wat zich nog niet heeft bewezen.”