75 jaar bevrijding: De strik brak los

75 jaar vrijheid
Jim en John, heetten de Engelse militairen die na de bevrijding bij de familie Van de Voort in Lunteren waren ingekwartierd. Het contact is lang gebleven. beeld fam. Schouten
7

Vrij! Eindelijk verlost van het Duitse juk. De geallieerden hadden het zuiden van Nederland in het najaar van 1944 al veroverd. In maart drongen ze het oosten binnen. In april was het noorden vrij. Begin mei was het westen aan de beurt, waar de nood in veel opzichten hoog gestegen was, door honger, schaarste en terreur.

De Poolse Amsterdammer Milo Anstadt (1920-2011) was Jood, onderduiker en verzetsman. Er waren dus veel redenen die hem het leven hadden kunnen kosten. Maar hij overleefde de bezettingstijd. Aan dr. L. de Jong, geschiedschrijver van de Tweede Wereldoorlog, vertelde hij hoe het bericht van de Duitse capitulatie hem –via een illegaal beluisterde nieuwsuitzending– ter ore kwam: „Ik weet nog dat ik uit de kast sprong waar de radio stond en ineens als een dolle door de kamer ben gaan springen. Ik trok even later mijn vrouw mee de straat op, want ik dacht: niemand heeft radio en we moeten het toch in ieder geval aan onze vrienden vertellen. Je gaf je er geen moment rekenschap van dat het misschien gevaarlijk was om op dat ogenblik de stad in te gaan, op een verboden uur, terwijl rondom rancuneuze Duitsers waren. Maar je ging, want je leefde in de oorlog enorm intens. Je verdriet was heviger. Je haat was feller. Je blijdschap was groter. Er is in de oorlog ontzettend veel gelachen, hoe vreemd dat ook mag klinken, juist door de spanning waarin we leefden.”

En nu was het voorbij. „We zijn bevrijd, dat is een gezegend wonder Gods”, noteerde prof. G. Wisse in De Wekker, het blad van de Christelijke Gereformeerde Kerk. Ds. W. C. Lamain, predikant in de Gereformeerde Gemeenten, verwoordde het een jaar na dato tijdens een herdenking in Rijssen zo: „Vrijdagavond 4 mei werd het bekend dat de volgende morgen de Duitse Wehrmacht haar wapens zou strekken. Het was een onvergetelijk moment. Wat een ontroering greep ons gehele volk aan. God was opgestaan tot de strijd. Hij had het voor Nederland opgenomen.”

De beide Tweede Kamerleden van de SGP, ds. G. H. Kersten en ds. P. Zandt, noteerden in De Banier: „In het smartelijk leed, dat doorstaan werd; bij de vele ontberingen, die geleden werden; zelfs in de diepe rouw die velen een onvergetelijke wonde heeft toegebracht, heeft de Heere Zijn goedertierenheid niet ganselijk van ons weggenomen. Hij bevrijdde ons van de onderdrukker, die Hij over ons enige tijd deed heersen.”

„Ons volk is nu vrij”, zei minister-president mr. P. Gerbrandy Szn. toen op 4 mei het bericht van de Duitse capitulatie kwam. „Vrij om zijn wonden te helen, vrij om ongestraft de waarheid te spreken, vrij om zijn openbare instellingen weer op te bouwen, vrij om zijn taak in het gebied van de Stille Oceaan weer te gaan vervullen. Bovenal danken wij God, Die kracht heeft geschonken aan allen die een aandeel hebben gehad in de bevrijding.”

Wie het meemaakte, weet nog waar hij was en wat hij deed en voelde toen het bericht kwam dat de Tweede Wereldoorlog in ons land –en een paar dagen later in heel Europa– ten einde was. Euforie overheerste, of juist weemoed om geleden verliezen. Veel littekens waren met geen oranje sjerp te bedekken.

De verschillende gevoelens spreken ook uit de inzendingen van oudere lezers die reageerden op de oproep van de redactie om herinneringen in te sturen. Gebeurtenissen, kleine details soms, liggen verankerd in het geheugen. „Het geluid van die wapperende vlag is me altijd bijgebleven. Ik hoor het klapperen nu nog als ik eraan denk.”

Kerken hielden dankdiensten. En de gemeente zong, voor zover je met een brok in de keel tot zingen komt: „W’ ontkwamen haast des vogelvangers net; den bozen strik, tot ons bederf gezet. De strik brak los, en wij zijn vrij geraakt.”

Vliegtuigen werpen voedsel uit

Ik ben in 1942 geboren en woonde met mijn ouders en zus in Zaandam op een bovenhuis. De zware laarzen van de Duitsers en hun gezang op straat heb ik duidelijk gehoord. Toen de bevrijding kwam, was dit een grote schrik voor mij. Er vlogen vliegtuigen vlak boven de straat waar ik woonde en aan het spelen was. Ik ben hard gaan huilen en naar huis gerend. De vliegtuigen wierpen voedsel uit, en ook meel waarvan broden werden gebakken.

Ik hoorde dat de vader van een vriendin uit de straat doodgeschoten was. Hij hoorde bij de NSB. Wat dat betekende, begreep ik op dat moment niet. Ik vond het heel verdrietig voor haar en het raakte me diep.

Mw. T. de Ruiter, Leerdam

Op dezelfde plek

Vijf kinderen Van der Kooij gingen in mei 1945 in de Hoofdstraat in De Lier op de foto met twee geallieerde militairen. Vijf broers (en na de oorlog werden er nog vier geboren). „Dat we alle vijf nog in leven zijn, 75 jaar na de bevrijding, is een zegen”, zegt D. van der Kooij (80) uit Ridderkerk. Op de ouderlijke boerderij waren Duitse soldaten ingekwartierd geweest. Maar zij waren vertrokken, en Nederland was weer vrij.

Papa bleef de hand van de soldaat maar schudden

De koude Hongerwinter, met veel sneeuw en vorst, lag achter ons. Wij woonden in het centrum van Lunteren en hadden een boerderij. Veel mensen uit het westen, gedreven door de honger, wisten ons te vinden. Er ging niemand weg zonder voedsel en als het even kon, ontving de bezoeker een bord soep of een maaltijd. Ik vraag me nu nog af hoe mijn ouders dat allemaal voor elkaar kregen. Er waren acht opgroeiende kinderen. Twee oudere dames uit ons dorp hadden hun intrek bij ons genomen en dan waren er nog zes evacués. Die hadden nogal eens ruzie met elkaar, wat de sfeer niet verbeterde. Er waren twee knechts uit Zeeland, die ook bij ons woonden. Er werden dus veel monden gevoed.

In april 1945 werd ik ziek. Ik had geelzucht en moest rust houden. Ik lag in de woonkamer op bed. Op de buitendeur was een bordje bevestigd met de woorden ”ansteckende Krankheit” (besmettelijke ziekte). De Duitsers waren doodsbenauwd voor besmetting. Het bordje zorgde ervoor dat ze op afstand bleven.

De laatste maanden van de oorlog waren ze steeds agressiever geworden. Er was in ons dorp en de omgeving veel ondergronds verzet. Verzetsstrijders die gearresteerd werden, kwamen in de door de Duitsers gevorderde villa Wormshoef terecht, die als SD-bureau diende. Deze plek werd berucht door de gruwelijke martelingen die de gevangenen ondergingen. De mensen die in de buurt woonden, hoorden hen soms gillen. Na de bevrijding werd onder anderen de meedogenloze Ries Jansen (1910-1949) gearresteerd, die de martelingen op zijn geweten had. Ik heb gezien hoe ze hem wegvoerden onder luid gejouw van de omstanders. Hij werd later ter dood veroordeeld en geëxecuteerd.

Op 15 april ging in Lunteren het gerucht dat de geallieerden op de Goudsberg waren aangekomen, ongeveer 3 kilometer van het centrum van ons dorp verwijderd. Er ontstond een geweldige opwinding en sommige waaghalzen gingen erheen, hoewel het nog niet veilig was. De Duitsers boden immers nog verzet. Maar op 16 april reden de Canadese tanks de Dorpsstraat binnen. Ik hoorde het lawaai van grommende motoren en het juichen van de mensen en ik vloog het bed uit, wat eigenlijk helemaal niet mocht. De tanks reden naar de hoek van onze straat en ik holde erheen. Vol ontzag keek ik naar een stilstaande tank met lachende soldaten, die chocolade uitdeelden.

Ik herinner me dat mijn vader naar een Canadees ging die op de tank stond. Hij pakte de hand van de militair en schudde die krachtig. Hij bleef maar schudden, want mijn papa sprak geen Engels, maar toch wilde hij zijn gevoelens van grote dankbaarheid uiten.

Later waren er twee Engelse militairen bij ons ingekwartierd: Jim en John. Toen ze huiswaarts gingen, waren er tranen. Mijn vader had foto’s van hen gemaakt. Jarenlang hebben we schriftelijk contact met hen gehouden.

Riet Schouten-van de Voort, Nunspeet

Gat onder de vloer

Zeven jaar was ik toen de bevrijding kwam. Eerst kwamen vliegtuigen laag over Katwijk die vervolgens voedsel dropten. Door met hun vleugels te schommelen, zeiden ze ons gedag.

Ik hoorde na de bevrijding pas allerlei zaken die eerder niet voor kinderoren bestemd waren. Bijvoorbeeld dat onder de slaapkamer van mijn ouders een gat in de grond gegraven was waar vader weg kon duiken.

Met veel volk stonden we op de Sluisweg toen NSB’ers gevangen werden genomen.

P. Ouwehand (82), Katwijk aan Zee